Ga naar de inhoud

Expediteurs­verklaring en verjaring onder de CMR

In een recente arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 maart 2021 kwam de verjaring onder de CMR weer eens aan bod, dit keer met betrekking tot expeditie en de vraag op welk moment de opdrachtgever de “afzenders”-rechten van de expediteur verkrijgt. De perikelen omtrent verjaring en de CMR, waaronder het schorsen en stuiten, kwamen al aan bod in onze blog VERJARING RECHTSVORDERING ONDER DE CMR. In het navolgende zal door onze advocaat transportrecht, Sander van Someren Gréve, ingegaan worden op de expediteursverklaring en verjaring onder de CMR. In het bijzonder zal onder meer worden ingezoomd op de rechten en plichten van de opdrachtgever en de expediteur in het kader van de expediteursverklaring en het ontstaan van vorderingen.

Expediteursverklaring ex artikel 8:63 lid 2 BW

De expediteur gaat namens de opdrachtgever een overeenkomst van vervoer aan met de vervoerder. Tussen de opdrachtgever en de expediteur bestaat dan een zogeheten expeditie-overeenkomst. De expediteur kan de vervoerovereenkomst met de vervoerder sluiten op zijn eigen naam, waardoor de opdrachtgever feitelijk geen partij is bij de overeenkomst tot vervoer. In geval van verlies, beschadiging of vertraging tijdens het vervoer is de expediteur in beginsel niet aansprakelijk jegens de opdrachtgever. De opdrachtgever zal dan bij eventuele schade direct bij de vervoerder moeten aankloppen. Echter, de problematiek in dit kader is dat de opdrachtgever geen partij is bij de vervoerovereenkomst.

Artikel 8:63 lid 2 BW voorziet in dit probleem en stelt dat de opdrachtgever een vorderingsrecht krijgt op de vervoerder zodra hij de expediteur laat weten dat hij de rechten wil uitoefenen die hij tot zijn beschikking zou hebben gehad als hij rechtstreeks met de vervoerder de overeenkomst was aangegaan. Hierop dient de expediteur een verklaring af te geven omtrent het bestaan van de overeenkomst tot expeditie tussen de opdrachtgever en de expediteur. De zogenaamde expediteursverklaring.

Internationaal transport over de weg en verjaring ex artikel 32 lid 1 CMR

Bij het aangaan van een overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg is de CMR op grond van artikel 1 lid 1 CMR dwingendrechtelijk van toepassing. Artikel 32 lid 1 CMR stelt dat rechtsvorderingen tegen de vervoerder een verjaringstermijn van één jaar kennen. De schorsing en/of stuiting van de verjaring is in de artikelen 32 lid 2 en 3 CMR geregeld.

In voornoemde zaak bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch was bij een internationaal transport over de weg van een vliegtuigmotor schade ontstaan aan de vliegtuigmotor. De opdrachtgever sprak de vervoerder hierop aan. De vervoerder nam het standpunt in dat de vordering van de opdrachtgever inmiddels was verjaard omdat de expediteur de verjaring niet had geschorst of gestuit binnen de toepasselijke verjaringstermijn van één jaar en de opdrachtgever binnen diezelfde termijn nog geen vorderingsrechten had verkregen.   

Bijzonder in deze kwestie is dat de opdrachtgever kort na het transport en het ontstaan van de schade, en ruim binnen de verjaringstermijn van één jaar, de vervoerder wel aansprakelijk had gesteld voor de schade. Echter, pas bij het voeren van de gerechtelijke procedure, ruim na verloop van de verjaringstermijn van één jaar, heeft de expediteur de expediteursverklaring afgelegd. De vraag is aldus op welk moment de opdrachtgever daadwerkelijk de “afzenders”-rechten heeft verkregen en of de expediteursverklaring daarvoor vereist was. 

Moment van verkrijging vorderingsrecht en rol van de expediteursverklaring

Volgens het hof verkrijgt een opdrachtgever de vorderingsrechten ten aanzien van de vervoerder vanaf het moment dat hij de expediteur te kennen geeft dergelijke rechten jegens de vervoerder te willen uitoefenen en deze kennisgeving door de expediteur is ontvangen en begrepen. Voor wat betreft de expediteursverklaring stelt het hof dat de opdrachtgever, die de rechten van de expediteur jegens de vervoerder in rechte wil uitoefenen (“afzenders”-rechten), de expediteursverklaring moet overleggen. Volgens het hof blijkt nergens uit dat dit reeds bij de inleidende dagvaarding moet geschieden, waardoor dit ook in de loop van de procedure kan worden overgelegd.

Het probleem voor de opdrachtgever in de onderhavige zaak was dat hij niet had gesteld of bewezen dat hij ruim voor de afgifte van de expediteursverklaring – en dus nog binnen de verjaringstermijn – aan de expediteur te kennen had gegeven dergelijke rechten jegens de vervoerder te willen uitoefenen. Het hof kon dus slechts concluderen dat de opdrachtgever pas op 28 augustus 2017 de rechten van de expediteur heeft verkregen, na het verlopen van de verjaringstermijn. Gezien de expediteur de verjaringstermijn jegens de vervoerder niet had geschorst of gestuit was de verjaringstermijn verstreken op het moment dat de opdrachtgever op 28 augustus 2017 de rechten van de expediteur had verkregen. De aansprakelijkheidsverklaring van de opdrachtgever, die binnen de verjaringstermijn was afgegeven, had de verjaringstermijn niet geschorst of gestuit omdat de opdrachtgever op dat moment nog geen aanspraak op de vervoerder had.

Belang expediteursverklaring

Hoewel het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch feitelijk oordeelt dat de expediteursverklaring niet een constitutief vereiste is voor het verkrijgen van een vorderingsrecht voor de opdrachtgever, toont het wel aan hoe belangrijk de expediteursverklaring is ter zake de bewijspositie in dit kader, zeker met betrekking tot de verjaring. De expediteursverklaring is in elk geval wel vereist voor de eventuele gerechtelijke procedure tegen de vervoerder.

Advocaat gespecialiseerd in expeditie

MAAK Advocaten is gespecialiseerd in het transportrecht en expeditie. Wilt u advies inwinnen over expeditie, vervoer of verjaring van een rechtsvordering onder de CMR dan helpt onze advocaat gespecialiseerd in expeditie, Sander van Someren Greve, u daar graag mee verder. Neem gerust contact op met Sander, of met een van onze andere advocaten in Amsterdam.

+31 (0)20 – 210 31 38
sander.vansomerengreve@maakadvocaten.nl

Sander van Someren Gréve

Sander van Someren Gréve

Sander van Someren Gréve is als senior associate werkzaam op het gebied van Product Safety, Commercial & International Trade. Sander is een daadkrachtige advocaat met veel kennis en expertise van de maakindustrie. Spelers binnen de keten waarderen Sander ook in zijn rol als betrouwbare sparring partner bij strategisch te maken keuzes. Naast zijn advieswerk bij commerciële transacties, vormt een belangrijk deel van zijn werk het procederen over (internationale) handelsgeschillen. Dat kan gaan over een dispuut bij een overeenkomst, productaansprakelijkheid of andere (professionele) aansprakelijkheden.