Meteen naar de inhoud

Verjaringstermijn voor schadeclaims

In een recente uitspraak van de Hoge Raad is opnieuw de kwestie besproken over het moment waarop de verjaringstermijn van een schadeclaim ingaat. Zodra een vordering is verjaard, is er niet langer een juridisch afdwingbare verplichting met betrekking tot een schadeclaim. Onze procesadvocaten in Amsterdam worden regelmatig geconfronteerd met de vraag wanneer een vordering is verjaard en/of wanneer de verjaring van een vordering nog kan worden “gestuit”. Het begin van de verjaring van een schadeclaim kan in bepaalde omstandigheden moeilijk te bepalen zijn. De specifieke omstandigheden van het individuele geval spelen hierbij een belangrijke rol.

Wanneer begint de verjaringstermijn?

Volgens het Burgerlijk Wetboek verjaart het recht om schadevergoeding te eisen na vijf jaar vanaf de dag die volgt op de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als met de aansprakelijke persoon bekend is geworden. In ieder geval verjaart een rechtsvordering tot schadevergoeding (of tot betaling van een boete) twintig jaar na de gebeurtenis waarin de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden.

Het gaat dus om feitelijke wetenschap en niet om een louter vermoeden van schade of om de vraag wie aansprakelijk is voor de schade. Dit is in lijn met vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.

Stuiting van de verjaring van een vordering

Om een verjaringstermijn te verlengen, kan de verjaring van een vordering worden gestuit. De verjaring van een vordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een zogenaamde schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.

Onze procesadvocaten adviseren en assisteren u graag bij het versturen van een stuitingsbrief wanneer de verjaringstermijn dreigt te verstrijken.

Civiele procedures over verjaring

In de procedure voor de Hoge Raad (die een echtscheiding betrof, maar waarvan de conclusies overdraagbaar zijn naar een bredere context) werd gesteld dat de schuldenaar onrechtmatig had gehandeld en hij werd veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding voor de daaruit voortvloeiende schade. Het hoger beroep bij de Hoge Raad richtte zich vervolgens uitsluitend op de vraag of de vordering tot schadevergoeding van de schuldenaar was verjaard door het verstrijken van de vijfjaarstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW.

De hoogste rechter over verjaring en subjectieve vs objectieve toetsingsmaatstaf

In het hoger beroep werd geklaagd dat de rechter in lagere aanleg ten onrechte een objectieve maatstaf voor wetenschap van de schade in de zin van art. 3:310 lid 1 BW had gehanteerd.

Volgens de Hoge Raad is dit onjuist.

“Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt dat het wettelijk recht op schadevergoeding verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de voor de schade aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het vereiste dat de benadeelde zowel met de schade als met de voor de schade aansprakelijke persoon bekend is geworden, worden uitgelegd als feitelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade of het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet voldoende is. De verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW vangt eerst aan op de dag volgende op die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een vordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Dit is het geval wanneer de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen – die niet absoluut hoeft te zijn – dat de schade is veroorzaakt door de tekortkoming of onrechtmatige gedraging van de betrokkene. Het antwoord op de vraag wanneer de verjaringstermijn is gaan lopen, hangt af van de omstandigheden van elk geval.”

Rechtbank van eerste aanleg past onjuiste maatstaf toe op verjaringsvraag

Het Hooggerechtshof oordeelde dat, in tegenstelling tot deze wettelijke norm, de rechtbank van eerste aanleg een onjuiste toetsingsmaatstaf had toegepast. De bodemrechter had de aanvang van de verjaringstermijn namelijk gebaseerd op wat “redelijkerwijs bekend kon en moest zijn” (r.o. 3.3):

“De lagere rechter overwoog in r.o. 5.7 dat de vrouw, althans haar raadslieden, uit de brief van 12 juni 2008 redelijkerwijs had kunnen of moeten afleiden dat de man naast het voorschot van € 600.000,- nog meer goodwillvorderingen had rond 1 januari 2005. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar betoog dat de brief, beoordeeld naar de situatie van dat moment, ook voor wat betreft de hoogte van de toegekende goodwillvorderingen anders zou kunnen worden uitgelegd. In dit verband overwoog de rechtbank dat een redelijke uitleg van deze brief meebracht dat daaruit kon worden afgeleid dat de financiële banden waren verbroken door de overdracht van de Goodwillaanspraken aan Stichting Gesde. Dat de vrouw de brief anders interpreteerde en daarom uit deze brief en de overige door de man in 2008 overgelegde stukken concludeerde dat de goodwillaanspraken € 600.000 bedroegen, moest naar het oordeel van de rechtbank in haar nadeel werken.

Indien deze overwegingen van de lagere rechter aldus moeten worden begrepen dat voor het aanvangen van de verjaringstermijn voldoende is dat de vrouw van de schade op de hoogte had kunnen of moeten zijn, is de lagere rechter uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.”

De benadeelde partij moet daadwerkelijke kennis hebben van de schade van de benadeelde partij

Wil de benadeelde partij feitelijke wetenschap hebben, dan moet het voldoende zeker zijn dat er schade is ontstaan. Volgens het Hooggerechtshof hoeft dit geen absolute zekerheid te zijn, maar het kan ook niet zo ver gaan dat de benadeelde “had moeten weten”, zodat een zuiver objectieve maatstaf doorslaggevend zou zijn. Veeleer zijn een subjectieve maatstaf en daarnaast de objectieve omstandigheden van het geval doorslaggevend.

Second opinion over het begin van de verjaringstermijn voor schadeclaims

Mogelijk is u eerder verteld dat uw zaak geen kans van slagen meer heeft omdat uw vordering is verjaard. Een tweede onderzoek kan mogelijk leiden tot de conclusie dat je vordering niet is verjaard en dat de verjaringstermijn voor het indienen van schadeclaims nog niet is begonnen of pas later is begonnen. Uiteindelijk is dit geen objectief criterium, maar moet het subjectief worden bekeken. Vraag hierover advies aan een ervaren advocaat voor procesrecht.

Gespecialiseerde Amsterdamse advocaat voor verjaring

Wil je weten wat de verjaringstermijnen zijn voor een schadeclaim? Neem dan contact op met de Amsterdamse verjaringsadvocaten Remko Roosjen of Sander van Someren Gréve van MAAK Advocaten. Wij kunnen u helpen bij het opstarten van een procedure of adviseren of een vordering is verjaard. U kunt ons bereiken op de volgende contactgegevens:

+31 (0)20 – 210 31 38
remko.roosjen@maakadvocaten.nl

Remko Roosjen

Remko Roosjen

Als partner van MAAK en advocaat commercial law geeft Remko leiding aan aan het team Commerciële Geschillen en Contractenrecht. Remko is een gespecialiseerde advocaat contractenrecht en heeft een ruime ervaring in het voeren van procedures, waaronder voor de civiele rechter, in arbitrage en mediation. Remko is verbonden aan de specialisatievereniging voor Distributie, Franchise en Agentuur en doceert regelmatig over het snijvlak van commerciële contracten en productregelgeving. Lees meer over Remko op zijn persoonlijk profiel of op LinkedIn .