De exhibitieplicht

Exhibitieplicht

In de producerende keten van de maakindustrie  is een grote groep verschillende soorten spelers actief. Hierbij kunt u denken aan fabrikanten, toeleveranciers, importeurs, distributeurs, handelsagenten en inkopers. In deze diverse groep maakbedrijven en in de dynamische markt waarin zij actief zijn, kunnen zowel interne (tussen aandeelhouders en bestuurders) als externe (met andere ondernemingen) zakelijke geschillen ontstaan. Handelsgeschillen kunnen bijvoorbeeld zien op de uitleg van een contract of set algemene voorwaarden, de aansprakelijkheid van een van de handelspartijen, de vereisten van productregelgeving en CE-markering of ondernemingsrechtelijke vraagstukken. Wanneer gesprekken of onderhandelingen tussen partijen geen oplossing bieden, kan een procedure bij de rechter onvermijdelijk zijn.

Uw bedrijf kan voorafgaand aan een nog te voeren of gedurende een lopende civiele procedure bewijsproblemen ondervinden, doordat u standpunten moet onderbouwen met documenten of andere informatie, maar alleen uw wederpartij deze bezit en niet (vrijwillig) aan u wil afgegeven. In deze situatie kan de exhibitieplicht / het inzagerecht (artikel 843a Rv) een oplossing bieden. In de rechtspraak keert dit thema veelvuldig terug. Op grond van de exhibitieplicht kan uw onderneming echter ook gedwongen worden om informatie aan de wederpartij te verstrekken ter ondersteuning van diens standpunten.

In beide gevallen adviseren en helpen onze advocaten procesrecht u graag. Ook kunnen onze specialisten u bij een conflict ondersteunen met het voeren van onderhandelingen, het begeleiden van een mediationtraject, het starten van een procedure of andere procesrechtelijke vraagstukken.

Wat is de exhibitieplicht?

De exhibitieplicht biedt een grondslag om informatie of stukken te verkrijgen waarover een wederpartij of derde beschikt met het doel om eigen standpunten te ondersteunen. In andere woorden, de exhibitieplicht is een sterk instrument voor het opeisen van bewijsmateriaal en het inschatten van de proceskansen. De plicht tot exhibitie van de ene partij is daarmee verbonden met het recht op inzage van de andere partij.

De partij die de vordering tot inzage, afschrift (kopie of print) of uittreksel (van het originele stuk) instelt, dient de kosten voor het verkrijgen hiervan te vergoeden. Deze vordering kan voorafgaand aan een procedure worden ingesteld (voorziening in kort geding) of in een lopende procedure (bij dagvaarding of als incidentele vordering bij conclusie van antwoord).

Wanneer de rechter de vordering toewijst, bepaalt hij de voorwaarden waaronder dit gebeurt. Ook kan de rechter een dwangsom opleggen voor het geval niet aan de exhibitieplicht wordt voldaan. Het vonnis levert vervolgens een executoriale titel op tot afgifte van de gevorderde stukken (artikel 491 Rv).

Wettelijke vereisten exhibiteplicht

De wettelijke vereisten van de exhibitieplicht zijn neergelegd in artikel 843a Rv. Voor toewijzing van de vordering tot inzage, afschrift of uittreksel moet aan vier cumulatieve voorwaarden worden voldaan die nauw met elkaar samenhangen.

1. Eiser moet een ‘rechtmatig belang’ hebben. Er bestaat een rechtmatig belang als het verkrijgen van de gevorderde stukken noodzakelijk is voor de onderbouwing van een vordering of verweer.

2.  De vordering tot inzage, afschrift of uittreksel moet zien op ‘bepaalde bescheiden’. Dit kunnen schriftelijke stukken zijn, maar ook andere op informatiedragers aangebrachte gegevens, zoals foto- en filmmateriaal, geluidsbanden, voorwerpen of digitale bestanden. Het is niet vereist dat de inhoud van de bescheiden (vooraf) bekend is, dat specifiek is aangeduid om welke bescheiden het gaat of dat is aangetoond waar de bescheiden worden bewaard. De vordering dient wel dusdanig concreet te zijn dat kenbaar is om welke bescheiden het gaat, welk processueel standpunt met de bescheiden kan worden onderbouwd en dat de rechter in staat is om te beoordelen of een rechtmatig belang bestaat. Een vordering tot inzage, afschrift of uittreksel van alle bescheiden van een zaak wordt niet toegewezen.

3. Er moet sprake zijn van ‘een rechtsbetrekking waarin eiser of zijn rechtsvoorganger partij is’. Eiser dient (indien mogelijk door bewijsstukken) (voldoende) aannemelijk te maken dat de bescheiden verband houden met een rechtsbetrekking waarbij eiser partij is. De rechter beoordeelt dit op grond van de feiten en omstandigheden van het geval. De rechtsbetrekking hoeft echter niet al vast te staan. Daarnaast kan de vordering ook worden ingesteld tegen een derde die geen partij is bij de rechtsbetrekking. In de praktijk zal de rechter een vordering gericht aan een derde partij terughoudender beoordelen dan een vordering gericht aan een processuele partij. Uit de memorie van toelichting op het wetsartikel blijkt bovendien: “De enkele interesse van een partij is in geen geval voldoende”.

4. De bescheiden worden verlangd van ‘degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft’.

Wanneer aan één van de voorwaarden niet is voldaan, zal de rechter de vordering afwijzen. Zogenaamde ‘fishing expeditions’ zijn niet toegestaan. In andere woorden, er mag geen misbruik van de exhibitieplicht worden gemaakt door te vissen naar informatie waarop de eiser geen recht heeft. Bij de beoordeling worden bovenstaande voorwaarden afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat de waarheid aan het licht komt.

Inzagerecht en de afgifte van stukken

Het inzagerecht en de afgifte van stukken is niet (altijd) hetzelfde. In het agentuurrecht kennen we een vergelijkbare bepaling (7:433 lid 2 BW) die zegt dat de handelsagent bevoegd is van de principaal inzage te verlangen van de nodige bewijsstukken, echter zonder afgifte te kunnen verlangen. Deze handelsagent kan zich op zijn kosten doen bijstaan door een deskundige (bijvoorbeeld door een accountant), aanvaard door de principaal of, bij afwijzing, benoemd door de voorzieningenrechter van de bevoegde rechtbank op verzoek van de handelsagent.

Anders dan bij dit artikel kan bij een ‘843a-vordering’ wél om afgifte van documenten worden verlangd. Dit is in die zin dan ook een verregaandere bevoegdheid. Let wel: wanneer een agentuurzaak voorligt, verdient het aanbeveling om eerst de inzage (zonder afgifte) te verlangen, omdat dat deze bijzondere regeling juist voor de agentuurrelatie is geschreven.

Advocaat gespecialiseerd in procesrecht

Ons advocatenkantoor in Amsterdam heeft een ervaren team van advocaten gespecialiseerd in het civiele procesrecht en met een sterke reputatie in de maakindustrie. Wilt u juridisch advies inwinnen over de exhibitieplicht, het voeren van een civiele procedure bij Nederlandse rechtbanken of gerechtshoven, het starten van een kortgedingprocedure of wilt u meer weten over andere juridische vraagstukken over geschillen en procedures? Neem dan contact op met Max Schwillens, advocaat gespecialiseerd in procesrecht, of met een van onze andere procesrechtadvocaten in Amsterdam

T:  +31 (0)20 – 210 31 38
E: mail@maakadvocaten.nl
Contactpersoon: Max Schwillens | Advocaat procesrecht

nv-author-image

Max Schwillens

Onze advocaat procesrecht Max Schwillens is gespecialiseerd in het voeren van civiele procedures bij de rechter, het voeren van onderhandelingen en het beslechten van geschillen in arbitrages. Max is analytisch sterk en heeft een grondige kennis van het Nederlandse en internationale procesrecht. Hij geniet een ruime ervaring onder meer Nederlandse rechtbanken, gerechtshoven, de Ondernemingskamer te Amsterdam en arbitrageinstituten. Wanneer het belang van de zaak dat vraagt, legt Max conservatoir beslag of voert hij een procedure in hoger beroep.