De Europese Unie had al enkele van de strengste speelgoedveiligheidsregels ter wereld, maar gevaarlijk speelgoed bleef kinderen bereiken, vooral via online verkoop en importen uit niet-EU-landen. Als reactie hierop heeft de EU een nieuwe Speelgoedveiligheidsverordening (EU) 2025/2509 aangenomen, die de Speelgoedveiligheidsrichtlijn vervangt en de manier waarop speelgoedveiligheid wordt gereguleerd, gehandhaafd en gedocumenteerd ingrijpend verandert.
Dit nieuwe kader is bedoeld om een hoog beschermingsniveau voor kinderen te waarborgen, terwijl de vrije circulatie van speelgoed op de interne markt behouden blijft. Het verscherpt de regels voor chemicaliën, introduceert een digitaal productpaspoort voor elk speelgoed en verduidelijkt de verplichtingen van fabrikanten, importeurs, distributeurs en online platforms. Deze gids legt deze veranderingen op praktische wijze uit, met de focus op wat ze betekenen voor bedrijven, advocaten en consumenten.
De Speelgoedveiligheidsverordening werd op 12 december 2025 gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. De eerste bepalingen traden in werking op 1 januari 2026, terwijl de meeste overige regels van kracht worden vanaf 1 augustus 2030.
VAN RICHTLIJN NAAR SPEELGOEDVERORDENING: hoe zit dat juridisch?
Sinds 2009 wordt speelgoed in de EU beheerst door de Speelgoedveiligheidsrichtlijn 2009/48/EG, die veiligheidsvereisten vaststelde en bedoeld was om de vrije circulatie van speelgoed binnen de EU te waarborgen. Na verloop van tijd bleek echter uit de evaluatie door de Europese Commissie dat er “een aantal tekortkomingen” waren in de praktische toepassing, met name:
• Gebreken in het waarborgen van een hoog beschermingsniveau tegen schadelijke chemicaliën in speelgoed.
• Ineffectieve handhaving, vooral voor online verkoop, waardoor “veel onveilige speeltjes op de EU-markt kwamen”.
De evaluatie toonde ook aan dat de richtlijn als juridisch instrument extra problemen creëerde:
• Lidstaten moesten frequente wijzigingen omzetten, wat leidde tot inconsistentie in de toepassing binnen de EU en het proces zeer resource-intensief maakte.
• Als een maatregel voor totale harmonisatie voorkwam de richtlijn dat lidstaten aanvullende veiligheidsvereisten zouden toevoegen. Het overstappen naar een verordening zou de beleidsaanpak dus niet fundamenteel veranderen, maar het zou vereenvoudigen en uniformeren.
Het Europees Parlement riep ook op tot hervorming. In zijn eigen initiatiefverslag over de uitvoering van de richtlijn verzocht het de Europese Commissie om de bescherming van kinderen tegen chemische risico’s te versterken, ervoor te zorgen dat de risico’s van internet-verbonden speelgoed in de EU-wetgeving worden behandeld, en de handhaving te verbeteren, vooral met betrekking tot online verkoop. Dit alles legde de basis voor de nieuwe Speelgoedveiligheidsverordening.
WAAROM EEN VERORDENING IN PLAATS VAN EEN RICHTLIJN?
Het nieuwe instrument is een verordening over de veiligheid van speelgoed, die zowel de gezondheid- en veiligheidsvereisten wil harmoniseren als obstakels voor de vrije beweging van speelgoed tussen EU-lidstaten wil verwijderen.
Omdat het rechtstreeks in alle lidstaten van toepassing is, voorkomt het verschillende nationale omzettingen en maakt het het voor fabrikanten gemakkelijker om met één set EU-regels te werken in plaats van 27 verschillende nationale wetten. Het biedt ook de juridische basis voor EU-brede instrumenten, zoals het digitale productpaspoort en geharmoniseerde douanecontroles.
Kortom, de EU is overgestapt van een richtlijn naar een verordening om haar doelstellingen van bescherming van de gezondheid van kinderen en het vergemakkelijken van de vrije beweging van speelgoed beter te bereiken.
CHEMISCHE VEILIGHEIDSVEREISTEN: HOE ZIT DIT JURIDISCH?
Algemene verboden op de meest schadelijke stoffen
Een van de belangrijkste veranderingen die door de Speelgoedveiligheidsverordening worden geïntroduceerd, is de herziening van de chemische veiligheidsregels. Onder het vorige juridische kader was speelgoed al onderworpen aan een algemeen verbod op stoffen die carcinogeen, mutageen of toxisch voor de voortplanting (CMR-stoffen) zijn. De Speelgoedveiligheidsrichtlijn behandelde echter niet volledig andere stoffen van bijzonder belang, zoals hormoonverstoorders of stoffen die het immuunsysteem, zenuwstelsel of de ademhalingssystemen beïnvloeden.
De nieuwe Speelgoedveiligheidsverordening introduceert brede, algemene verboden op de meest schadelijke categorieën stoffen. Het bepaalt dat stoffen die als CMR-stoffen, hormoonverstoorders, ademhalingssensibilisatoren of als toxisch voor een specifiek orgaan zijn geclassificeerd, over het algemeen verboden zijn in speelgoed. Zodra dergelijke stoffen als gevaarlijk worden geclassificeerd volgens de EU-regels voor indeling, etikettering en verpakking (CLP), zijn ze automatisch verboden voor gebruik in speelgoed. Alleen sporenhoeveelheden die technologisch onvermijdelijk zijn onder goede productiemethoden en die het speelgoed niet onveilig maken, worden toegestaan.
De rationale is gebaseerd op de gezondheid van kinderen. Volgens de Europese Commissie kunnen chemicaliën die het endocriene systeem beïnvloeden, schadelijke effecten veroorzaken, zelfs bij zeer lage doses, als de blootstelling plaatsvindt tijdens gevoelige ontwikkelingsstadia, zoals in de vroege kinderjaren. Neurotoxische stoffen zijn bijzonder schadelijk voor de zich ontwikkelende hersenen, en het ademhalingssysteem van kinderen is ook kwetsbaarder voor sensibilisatoren en toxines.
In juridische termen betekent dit een verschuiving van een puur risicogebaseerde naar een meer gevaren-gebaseerde benadering. Zodra een stof wordt erkend als behorend tot een van deze gevarenklassen, is het regelgevend default om het gebruik ervan in speelgoed te verbieden, in plaats van een geval-voor-geval risicobeoordeling voor elk specifiek gebruik.
PFAS, bisfenolen en andere specifieke verboden en beperkingen
Naast deze algemene verboden hebben de EU-instellingen specifieke beperkingen afgesproken voor bepaalde beruchte problematische chemicaliën.
Het Europees Parlement benadrukt dat de nieuwe regels expliciet de lijst van verboden stoffen uitbreiden om hormoonverstoorders, PFAS (per- en polyfluoroalkylstoffen) en bisfenolen op te nemen, en het “intentionele gebruik van per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) en de gevaarlijkste soorten bisfenolen” in speelgoed te verbieden. Het persmateriaal van de Raad verduidelijkt dat er een “beperkt verbod op het intentionele gebruik van PFAS in speelgoed” is, met uitzonderingen voor speelgoedonderdelen die noodzakelijk zijn voor elektronische of elektrische functies, waarbij de stof volledig onbereikbaar is voor kinderen.
Advocaat over PFAS, bisfenolen en andere specifieke verboden en beperkingen
Naast deze algemene verboden hebben de EU-instellingen specifieke beperkingen afgesproken voor bepaalde beruchte problematische chemicaliën.
Het Europees Parlement benadrukt dat de nieuwe regels expliciet de lijst van verboden stoffen uitbreiden om hormoonverstoorders, PFAS (per- en polyfluoroalkylstoffen) en bisfenolen op te nemen, en het “intentionele gebruik van per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) en de gevaarlijkste soorten bisfenolen” in speelgoed te verbieden. Het persmateriaal van de Raad verduidelijkt dat er een “beperkt verbod op het intentionele gebruik van PFAS in speelgoed” is, met uitzonderingen voor speelgoedonderdelen die noodzakelijk zijn voor elektronische of elektrische functies, waarbij de stof volledig onbereikbaar is voor kinderen. Speelgoed dat behandeld is met biocideproducten is over het algemeen verboden, behalve wanneer het bedoeld is om permanent buiten te worden bewaard. De nieuwe regels introduceren ook een algemeen verbod op bepaalde categorieën van huid-sensibilisatoren, beperken het gebruik van conserveermiddelen en verbieden geurallergenen in speelgoed bedoeld voor kinderen onder de drie jaar of in ander speelgoed dat in de mond gestopt kan worden.
Achtergronddocumenten van de Raad bevestigen dat, naast het versterken van het verbod op CMR-stoffen en de uitbreiding ervan naar hormoonverstoorders en stoffen die het ademhalingssysteem of specifieke organen beïnvloeden, de nieuwe regels “een beperkt verbod op het intentionele gebruik van per- en polyfluoroalkylstoffen (PFAS) in speelgoed” en een “verbod op de aanwezigheid van 10 bisfenolen in speelgoed” introduceren.
Voor bedrijven zullen deze veranderingen vaak aanzienlijke aanpassingen vereisen in productontwerpen en toeleveringsketens. Materialen, coatings, inkten en elektronische componenten moeten mogelijk worden herformuleerd om verboden stoffen te elimineren of deze tot acceptabele sporenhoeveelheden te verminderen. Leveranciersformuleringen zullen opnieuw moeten worden beoordeeld, en in sommige gevallen zullen bepaalde productlijnen niet meer levensvatbaar zijn als veilige en haalbare alternatieven niet bestaan.
Derogaties en de rol van ECHA
De verordening erkent dat een strikt op gevaren gebaseerde benadering enige flexibiliteit vereist. Het stelt de Europese Commissie in staat, op basis van wetenschappelijke adviezen van het Europese Chemische Agentschap (ECHA), specifieke toepassingen van anders verboden stoffen in speelgoed toe te staan. Om een dergelijke derogatie te verlenen, moet ECHA concluderen dat het gebruik veilig is, rekening houdend met blootstelling via speelgoed in combinatie met “algemene blootstelling uit andere bronnen” en de bijzondere kwetsbaarheid van kinderen. ECHA moet ook bepalen dat er geen geschikte alternatieve stoffen of mengsels beschikbaar zijn, en dat de stof niet al verboden is in consumentenartikelen volgens bredere chemische wetgeving.
Economie-operators en andere belanghebbenden kunnen dergelijke beoordelingen aanvragen bij ECHA via een standaardformulier en tools. ECHA wordt verwacht technische en wetenschappelijke begeleiding te bieden, met bijzondere aandacht voor de behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s). Als de Europese Commissie vervolgens besluit een derogatie toe te staan, worden de toegestane toepassingen opgenomen in de bijlagen van de Speelgoedveiligheidsverordening via gedelegeerde handelingen, die kunnen worden bijgewerkt naarmate wetenschap en technologie evolueren.
Praktische implicaties voor ontwerp, testen en toeleveringsketens
De effectbeoordeling van de Europese Commissie, die de gekozen beleidsoptie ondersteunt, suggereert dat het verbieden van de meest schadelijke stoffen zowel kosten als voordelen met zich meebrengt.
Aan de voordelenkant wordt geschat dat de gezondheidswinst van het vermijden van blootstelling aan hormoonverstoorders alleen tussen de EUR 240 miljoen en EUR 1,2 miljard per jaar ligt, rekening houdend met de langetermijneffecten die generaties kunnen beslaan.
Aan de kostenzijde wordt geschat dat tussen de 8,4% en 12,8% van de speelgoedmodellen door algemene verboden mogelijk worden getroffen, waarbij geen derogatie mogelijk is. Ongeveer 4,6–7,2% van de modellen moet mogelijk worden herontworpen of chemisch vervangen, terwijl 3,8–5,6% mogelijk niet meer beschikbaar is als geen geschikte alternatieven kunnen worden gevonden. De bijbehorende eenmalige aanpassingskosten worden geschat in de tientallen tot honderden miljoenen euro’s, waarbij de testkosten per speelgoedmodel naar verwachting zullen stijgen van ongeveer EUR 2.200 naar EUR 3.900, wat jaarlijks tussen de EUR 7,31 miljoen en EUR 11,70 miljoen extra kosten voor de sector betekent.
Voor advocaten en compliance-teams betekent dit chemische regime dat vroegtijdige stofmapping, due diligence in de toeleveringsketen en contractbepalingen over regelgevingswijzigingen centraal staan in risicobeheer. Voor bedrijven kan het strategische keuzes vereisen over welke productlijnen prioriteit krijgen, herontworpen worden of geleidelijk worden uitgefaseerd.
HET DIGITALE PRODUCTPASPOORT: EEN NIEUWE NALOEINGSGROND
Wat is het digitale productpaspoort?
Naast de chemische regels is een van de meest zichtbare innovaties het digitale productpaspoort (DPP). In het nieuwe systeem is de bekende EU-verklaring van conformiteit voor speelgoed niet langer alleen een papieren document. In plaats daarvan wordt het een digitaal record dat kan worden geraadpleegd via een gegevensdrager die aan het product is bevestigd.
Voordat een speelgoedproduct op de EU-markt wordt gebracht, moet een fabrikant een DPP voor elk speelgoedmodel aanmaken. Dit paspoort moet aangeven dat het speelgoed voldoet aan de vereisten van de verordening, inclusief de essentiële veiligheidsvereisten, en moet ten minste de informatie bevatten die is gespecificeerd in Bijlage VI van de Speelgoedveiligheidsverordening. Het DPP moet up-to-date worden gehouden en gedurende minstens tien jaar na het op de EU-markt brengen van het speelgoed beschikbaar worden gesteld, zelfs in gevallen van insolventie, liquidatie of stopzetting van de activiteit door de economische operator die het heeft aangemaakt.
Het DPP moet toegankelijk zijn in de talen die door de lidstaten vereist worden waar het speelgoed beschikbaar wordt gesteld en moet toegankelijk zijn voor consumenten, markttoezicht- en douaneautoriteiten, aangemelde instanties, de Europese Commissie en andere economische operatoren. Toegang wordt geboden via een gegevensdrager – bijvoorbeeld een lineaire streepjescode of een QR-code – die fysiek aanwezig is op het speelgoed, op een label of, in het geval van zeer klein speelgoed, op de verpakking. De gegevens moeten machineleesbaar, gestructureerd en doorzoekbaar zijn en moeten steunen op open standaarden.
Cruciaal is dat het speelgoed-DPP is ontworpen om in een breder EU-kader voor duurzame producten te passen. Het moet voldoen aan “dezelfde technische vereisten voor een productpaspoort” zoals die zijn vastgelegd in de Ecodesign voor Duurzame Producten Verordening, inclusief registratie in een centraal register en koppeling met douane-ICT-systemen. Waar andere EU-wetgeving ook een productpaspoort vereist, is het doel dat één paspoort zowel veiligheids- als duurzaamheidsinformatie kan dekken, waardoor dubbele inspanningen worden vermeden.
Voor consumenten belooft het DPP gemakkelijker toegang tot veiligheidsinformatie. Het Europees Parlement benadrukt dat het “ook consumenten gemakkelijke toegang tot veiligheidsinformatie en waarschuwingen zal bieden, bijvoorbeeld via een QR-code”. In de praktijk kan dit betekenen dat een ouder, staand in een winkel of online winkelend, een code scant en direct de belangrijkste veiligheidskenmerken van het speelgoed, chemische beperkingen en waarschuwingen over de leeftijd ziet.
Douanecontroles en het ‘Single Window’
Het DPP ligt ook in het hart van een nieuwe benadering van douanecontrole. Wanneer speelgoed de EU binnenkomt, moeten de aangiftemakers het unieke productidentificatienummer van het speelgoed vermelden in de douaneaangifte voor vrij verkeer.
Douaneautoriteiten verifiëren dan automatisch of dit identificatienummer overeenkomt met een nummer dat is opgeslagen in het centrale DPP-register, met behulp van het zogenaamde ‘EU Customs Single Window Certificates Exchange System’. Als er geen geldige verwijzing naar het productpaspoort in het register is, kan het speelgoed niet voor vrij verkeer worden vrijgegeven. De Europese Commissie kan, via gedelegeerde handelingen, toestaan dat douanesystemen andere informatie in het register controleren, zoals bepaalde veiligheids- of herkomstgegevens, tegen de informatie die door de aangiftemaker is verstrekt, om risicogebaseerde controles te verbeteren.
De Raad benadrukt dat dit systeem moet “faciliteren voor douanecontrole en markttoezicht” en dat het zowel voor online als offline verkoop van speelgoed zal gelden. Voor operatoren betekent dit dat onvolledige of onnauwkeurige digitale documentatie een directe en onmiddellijke invloed zal hebben op de mogelijkheid om speelgoed in de EU te importeren.
Voordelen en lasten voor bedrijven
Digitalisering brengt ook extra kosten met zich mee. De Europese Commissie schat dat het opzetten van DPP-systemen en het creëren van paspoorten EU-fabrikanten ongeveer EUR 18 miljoen aan eenmalige investeringen zal kosten en daarna ongeveer EUR 10,5 miljoen per jaar.
Toch verwacht men aanzienlijke besparingen: het digitaal verstrekken van informatie in plaats van op papier kan jaarlijks tussen de EUR 2,62 miljoen
en EUR 5,3 miljoen besparen. Het gebruik van een digitale infrastructuur kan ook handhaving vergemakkelijken door de traceerbaarheid en transparantie van producten te verbeteren. Als gevolg hiervan wordt een grotere naleving van de regelgeving verwacht, die op zijn beurt de kosten van juridische geschillen kan verminderen.



