Gepubliceerd op · Laatst bijgewerkt op

Compliance-verplichtingen bij Chemische Stoffen

Gepubliceerd · bijgewerkt

Wie chemische stoffen produceert, importeert of gebruikt, krijgt te maken met vier regimes: REACH (registratie vanaf 1 ton per jaar en veiligheidsinformatiebladen), CLP (indeling, etiket en melding bij de vergiftigingencentra), de Omgevingswet met het Besluit activiteiten leefomgeving (opslag, zorgplicht, ongewone voorvallen) en de Arbowet (blootstelling van werknemers). Zonder registratie mag een stof niet op de markt (artikel 5 REACH).

Chemische compliance raakt aan bredere productregelgeving; het kader daarvoor staat bij productregelgeving en CE-markering. Krijg je met toezicht te maken, lees dan wat er geldt bij het betwisten van een boete van de NVWA.

Hieronder volgt een gestructureerd overzicht van onze advocaten Product Compliance per relevante regelgeving. We behandelen achtereenvolgens de EU-verordeningen REACH en CLP, en de belangrijkste Nederlandse wet- en regelgeving: de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), dat sinds 1 januari 2024 het Activiteitenbesluit milieubeheer vervangt, en de Arbeidsomstandighedenwet (incl. relevante besluiten). Per regeling geven onze advocaten voor productregelgeving een korte uitleg en lichten we de belangrijkste compliance-eisen voor bedrijven toe, inclusief meldings- en registratieplichten en vereiste documentatie of procedures.

Wat verplicht de REACH-verordening (EG nr. 1907/2006)?

REACH is de EU-verordening die regels stelt voor het produceren, in de handel brengen, gebruiken en verhandelen van chemische stoffen en mengsels in de Europese Unie. REACH staat voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen. Het uitgangspunt is dat industrie zelf moet aantonen dat chemische stoffen veilig kunnen worden gebruikt.

De verplichtingen hangen af van de rol van het bedrijf (bijv. fabrikant, importeur, distributeur of downstream gebruiker) en de eigenschappen en hoeveelheden van de stoffen. Enkele belangrijke REACH-verplichtingen zijn:

Registratie van stoffen

Fabrikanten en importeurs van chemische stoffen in de EU moeten iedere stof die zij in volumes ≥1 ton per jaar produceren of invoeren, registreren bij het Europees Chemicaliënagentschap (ECHA). Bij de registratie moeten uitgebreide gegevens over de stof worden verstrekt, inclusief informatie over veilige omgang en gebruik door downstream gebruikers. Let op: deze registratieplicht geldt per stof (niet voor mengsels) en pas vanaf de drempel van 1000 kg/jaar. Mengsels zelf worden niet geregistreerd, de stoffen erin wel (artikel 6 lid 1 REACH). Zonder vereiste registratie mag een stof, als zodanig, in een mengsel of in een voorwerp, niet worden vervaardigd of in de handel gebracht (“no data, no market”, artikel 5 REACH).

Veiligheidsinformatiebladen (VIB/SDS)

Leveranciers van een gevaarlijke stof of een gevaarlijk mengsel verstrekken elke afnemer een veiligheidsinformatieblad (VIB). Dat geldt ook voor PBT- en zPzB-stoffen en voor stoffen op de kandidatenlijst (artikel 31 lid 1 REACH). Bij verkoop aan het grote publiek mag het VIB achterwege blijven als er voldoende informatie wordt meegeleverd, tenzij een downstreamgebruiker of distributeur erom vraagt (lid 4). Het VIB is gratis en in een officiële taal van de lidstaat waar het product in de handel komt; in Nederland dus in het Nederlands (lid 5 en 8). Een VIB (SDS in het Engels) bevat informatie over de eigenschappen van de stof of het mengsel, de gevaren voor mens en milieu en instructies voor veilig gebruik (bijv. aanbevolen PBM’s, maatregelen bij morsen). Bedrijven moeten deze VIB’s controleren op juistheid en volledigheid, aangezien onjuiste of onvolledige informatie werknemers in gevaar kan brengen. Het VIB wordt onverwijld bijgewerkt bij nieuwe informatie over gevaren of risicobeheersmaatregelen, na een besluit over een autorisatie en na een nieuwe beperking (lid 9).

Gebruik en doorgeven van veiligheidsinformatie

Professionele downstream gebruikers (bedrijven die chemicaliën gebruiken in hun proces, maar ze niet produceren) hebben de plicht de aanbevelingen uit het ontvangen VIB op te volgen en veilig te werken volgens die instructies. Indien de verstrekte informatie niet klopt of ontbreekt, moet de gebruiker dit terugkoppelen aan de leverancier (artikel 34 REACH). Bedrijven zijn in het kader van REACH zelf verantwoordelijk voor het doorvoeren van de benodigde risicobeheersmaatregelen voor een gezond en veilig gebruik van stoffen.

Autorisatie van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS): REACH stelt extra eisen aan zogenoemde zeer zorgwekkende stoffen (SVHC’s, bijvoorbeeld kankerverwekkende, mutagene, reproductietoxische stoffen of zeer persistente stoffen). Bepaalde ZZS zijn opgenomen in Bijlage XIV van REACH, wat betekent dat ze na een bepaalde datum verboden zijn te gebruiken, tenzij voor dat gebruik een autorisatie is verleend of een vrijstelling geldt (artikel 56 lid 1 REACH). Een downstreamgebruiker mag de stof gebruiken binnen een autorisatie die aan een schakel hoger in de keten is verleend (artikel 56 lid 2). Bedrijven moeten dus nagaan of stoffen die ze gebruiken onder de autorisatieplicht vallen en zo ja, tijdig autorisatie aanvragen of substitueren.

Restricties

Daarnaast bevat Bijlage XVII van REACH lijsten met restricties, dit zijn beperkingen of verboden op het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in specifieke toepassingen (bijvoorbeeld voor bepaalde ftalaten in speelgoed, bijlage XVII, punt 51). Een stof met een beperking mag alleen worden vervaardigd, in de handel gebracht of gebruikt volgens die beperking (artikel 67 lid 1 REACH). Bedrijven moeten zorgen dat zij geen verboden toepassingen uitvoeren en dat zij voldoen aan eventuele beperkingvoorwaarden voor gereguleerde stoffen. Deze autorisatie- en restrictiebepalingen onder REACH kunnen van invloed zijn op productie, handel, verwerking, vervoer, opslag en gebruik van de stof.

Registratie/meldplicht voor bijzonder gebruik

Als een bedrijf zeer risicovolle stoffen gebruikt die onder autorisatie of restrictie vallen, kunnen ook nationale meldplichten gelden. (Bijvoorbeeld aparte meldingen voor gebruik van bepaalde carcinogenen of voor explosievenprekursoren, zie verder).

Overige REACH-plichten

REACH omvat ook verplichtingen tot het bijhouden van informatie en communicatie in de toeleveringsketen. Zo mag een downstreamgebruiker zijn gebruik aan zijn leverancier bekendmaken, zodat het een “geïdentificeerd gebruik” wordt dat de veiligheidsbeoordeling dekt (artikel 37 REACH). Bevat een voorwerp meer dan 0,1 % massa van een stof op de kandidatenlijst, dan krijgt de afnemer ten minste de naam van die stof; een consument krijgt die informatie op verzoek, gratis en binnen 45 dagen (artikel 33). Producenten en importeurs van zulke voorwerpen melden de stof bovendien aan ECHA als er meer dan 1 ton per jaar per producent of importeur in hun voorwerpen zit en de concentratie hoger is dan 0,1 % (artikel 7 lid 2). Ook moeten alle actoren in de keten indien nodig risico’s evalueren en passende maatregelen nemen om blootstelling te minimaliseren.

Meldings- en registratieplichten onder REACH

Registratieplicht

Zoals genoemd moeten stoffen ≥1 ton/jaar geregistreerd worden bij ECHA vóór productie/import (hierdoor zijn bedrijven feitelijk verplicht een registratiedossier in te dienen met o.a. testgegevens, risicobeoordeling en veiligheidsbeheersmaatregelen).


Autorisatieaanvraag

Bedrijven die een autorisatieplichtige stof uit Bijlage XIV willen blijven gebruiken, moeten tijdig een autorisatieaanvraag indienen. Wie uiterlijk 18 maanden vóór de verbodsdatum aanvraagt, mag de stof blijven gebruiken tot over de aanvraag is beslist (artikel 56 lid 1 onder d REACH).
– Meldplicht bij nieuwe informatie: Krijgt een registrant nieuwe kennis over de risico’s van een stof, dan werkt hij het registratiedossier zonder onnodige vertraging bij (artikel 22 lid 1 REACH); het VIB wordt dan ook bijgewerkt (artikel 31 lid 9).

Explosievenprekursoren

Hoewel niet onderdeel van REACH zelf, geldt aanvullende EU-regelgeving voor bepaalde chemische stoffen die als explosievenprekursor kunnen dienen. Leveranciers moeten professioneel afnemers informeren dat het gereguleerde stoffen betreft, personeel trainen in de regels, en verdachte transacties of diefstal van deze stoffen binnen 24 uur melden bij het meldpunt. Ook geldt een identiteits- en vergunningscontrole voor levering aan particulieren van bepaalde stoffen. (Deze verplichtingen vloeien voort uit de Explosievenprekursorenverordening EU 2019/1148, maar bedrijven dienen dit mee te nemen in hun chemicaliëncompliance.)

Wat verplicht de CLP-verordening (EG nr. 1272/2008)?

Uitleg: De CLP-verordening (Classification, Labelling and Packaging) regelt hoe chemische stoffen en mengsels ingedeeld en geëtiketteerd moeten worden binnen de EU. CLP is de implementatie van het wereldwijd geharmoniseerde systeem (GHS) voor classificatie en labeling.

Het doel is om ervoor te zorgen dat de gevaren van stoffen duidelijk en eenduidig worden gecommuniceerd aan gebruikers (werknemers en consumenten). De CLP-verordening verplicht fabrikanten, importeurs én downstreamgebruikers om stoffen en mengsels vóór het in de handel brengen in te delen (artikel 4 lid 1). Alle leveranciers, dus ook distributeurs, moeten gevaarlijke stoffen en mengsels etiketteren en verpakken volgens de verordening (artikel 4 lid 4); een distributeur mag de indeling van een eerdere schakel overnemen (artikel 4 lid 5). Enkele kernverplichtingen onder CLP:

Gevarenindeling

Bedrijven moeten van elke stof of elk mengsel dat zij in de handel brengen vaststellen welke gevarenklasse en -categorie van toepassing is (bijv. corrosief, ontvlambaar, giftig, milieugevaarlijk). De indeling gebeurt volgens titel II van CLP (artikel 4 lid 1). Voor mengsels wordt de indeling meestal afgeleid uit de bestanddelen (concentratiegrenzen). De juiste indeling is de basis voor het etiket en het VIB. Heeft een stof een geharmoniseerde indeling in bijlage VI, deel 3 bij CLP, dan gaat die voor (artikel 4 lid 3). De meldingen van andere bedrijven vind je in de C&L-inventaris van ECHA.

Etikettering

Chemische producten die als gevaarlijk zijn ingedeeld, moeten voorzien worden van een correct etiket voordat ze in de handel worden gebracht. Het etiket moet de volgende elementen bevatten: de juiste pictogrammen (GHS-gevaarssymbolen zoals ⚠️, 🔥, ☠️), de bijbehorende signaalwoorden (“Waarschuwing” of “Gevaar”), de H-zinnen (gevarenaanduidingen) die de risico’s beschrijven, en P-zinnen (voorzorgsmaatregelen) met veilig gebruiksadvies. Ook moet het etiket o.a. de productidentificatie (naam stof of mengsel, inclusief identificatienummers zoals CAS/EC), de hoeveelheid inhoud, en de naam + contactgegevens van de leverancier vermelden. Het etiket staat in de officiële taal of talen van de lidstaat waar het product in de handel komt; in Nederland dus in het Nederlands (artikel 17 lid 1 en 2 CLP). Let op: de herziene etiketregels uit Verordening (EU) 2024/2865 gelden nog niet allemaal. Verordening (EU) 2025/2439 heeft de toepassingsdata uitgesteld: een deel van de wijzigingen geldt vanaf 1 juli 2026, een deel vanaf 1 januari 2027, en de regels over onder meer de opmaak van etiketten, reclame, verkoop op afstand en heretikettering vanaf 1 januari 2028. Tot die data mag je de nieuwe regels vrijwillig toepassen. Etiketten moeten verder en onuitwisbaar en duidelijk leesbaar op de verpakking bevestigd zijn. Verder stelt CLP eisen aan de verpakking (bijv. kinderveilige sluitingen of tastwaarschuwing (oplius) indien nodig).

Meldingsplicht indeling en etikettering (C&L-notificatie)

Fabrikanten en importeurs die een gevaarlijke stof op de markt brengen, moeten hun indeling en etikettering melden aan ECHA voor opname in het Classification & Labelling Inventory. Deze melding moet uiterlijk binnen 1 maand na het in de handel brengen gebeuren (artikel 39 en 40 lid 3 CLP). Een kennisgeving is niet nodig als de gegevens al met een REACH-registratie of eerder zijn ingediend (artikel 40 lid 1). Dit is verplicht voor alle gevaarlijke stoffen en voor alle stoffen (gevaarlijk of niet) die onder REACH registratiesplicht vallen. De melding gebeurt elektronisch via het ECHA-portaal en zorgt ervoor dat er een centrale databank is van alle ingedeelde stoffen in Europa.

Productinformatie voor mengsels (Poison Centre Notification – PCN)

Importeurs en downstreamgebruikers (zoals formuleerders) van gevaarlijke mengsels moeten productinformatie aanleveren voor de hulpdiensten (artikel 45 en bijlage VIII CLP). De melding is nodig voor mengsels die zijn ingedeeld op grond van gezondheids- of fysische gevaren, en gebeurt vóór het in de handel brengen bij de aangewezen instantie, in de officiële taal. In Nederland verloopt dit via het Europese online portaal van ECHA, waarna de informatie beschikbaar komt voor het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC). In de melding staan onder meer de samenstelling, de handelsnaam, de productcategorie en toxicologische informatie. Voor de samenstelling mag je concentratiebereiken gebruiken (bijlage VIII, deel B, 3.4), en voor mengsels voor industrieel gebruik mag een beperkte melding (deel A, 2.3). De unieke formule-identificator (UFI) komt op het etiket of de binnenverpakking; bij industrieel gebruik of onverpakte mengsels mag de UFI in het VIB (deel A, 5.2-5.3, zoals gewijzigd door Verordening (EU) 2020/11). De plicht gold gefaseerd: voor consumentengebruik en professioneel gebruik vanaf 1 januari 2021 en voor industrieel gebruik vanaf 1 januari 2024. Oudere nationale meldingen bleven geldig tot 1 januari 2025, tenzij het mengsel eerder wijzigde; sindsdien is een PCN-melding met UFI nodig voor alle meldingsplichtige gevaarlijke mengsels. Leveranciers moeten dus controleren dat hun gevaarlijke mengsels een UFI hebben en dat de meldingen tijdig zijn ingediend.

Meldings-/registratieplichten onder CLP

C&L-notificatie

Binnen 1 maand na het in de handel brengen van een gevaarlijke stof moet een kennisgeving van de indeling en etikettering bij ECHA plaatsvinden. Dit is eenmalig per stof per importeur/producent, maar moet worden geüpdatet als de indeling verandert.

PCN-melding

Voor gevaarlijke mengsels moet vóór het op de markt brengen een productmelding (incl. UFI) gedaan worden via het ECHA-PCN portaal. De melding doet de importeur of downstreamgebruiker die het mengsel in de handel brengt (artikel 45 CLP). Een update is nodig bij een wijziging van de productidentificator of de indeling, of als de samenstelling buiten de gemelde bandbreedte valt (bijlage VIII, deel B, 4.1).

Etikettering voorafgaand aan distributie

Elk individueel verpakt product moet vóór levering correct geëtiketteerd zijn volgens CLP; dit vereist interne procedures om de juiste labelinformatie te genereren en te controleren.
Bijhouden documentatie

Bedrijven moeten documentatie bijhouden van hun eigen gevaarlijke mengsels (samenstelling, indeling, testgegevens indien beschikbaar) om de classificatie te onderbouwen. Ook moeten ze zorgen dat de meest recente regelgeving (bijv. bijgewerkte H- en P-zinnen of nieuwe geharmoniseerde indelingen) wordt toegepast, vaak vereist dit periodieke review van labels en SDS.

Welke milieuregels gelden onder de Omgevingswet (vergunning, zorgplicht en ongewone voorvallen)?

Uitleg: Tot 1 januari 2024 was de Wet milieubeheer (Wm) de belangrijkste Nederlandse milieukaderwet voor bedrijven. Sindsdien regelen de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) de milieuregels voor bedrijfsactiviteiten: welke milieubelastende activiteiten vergunnings- of meldingsplichtig zijn en welke algemene regels en zorgplicht gelden. De Wm geldt nog wel voor onder meer stoffen en producten; zo verbiedt artikel 9.3.3 Wm te handelen in strijd met een reeks REACH-bepalingen. Waar de Wm uitging van de inrichting, regelt het Bal milieubelastende activiteiten. Enkele belangrijke compliance-aspecten:

  • Omgevingsvergunning (Milieu) of melding: Bedrijven waarvan de activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu moeten voldoen aan de toepasselijke milieuregels. In Nederland is hiervoor het systeem van de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten en meldingsplichten ingericht. Simpel gezegd: zware of complexe milieubelastende bedrijven moeten een vergunning aanvragen, minder zware categorieën hoeven alleen een melding te doen, en zeer lichte categorieën vallen onder algemene regels zonder meldplicht. Welke activiteiten vergunnings- dan wel meldingsplichtig zijn, was uitgewerkt in het Activiteitenbesluit milieubeheer en is vanaf 2024 opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voorbeeld: Opslag van een zekere hoeveelheid gevaarlijke stoffen kan ertoe leiden dat je bedrijf een milieumelding moet indienen of zelfs een vergunning nodig heeft; via het Omgevingsloket kan men dit nagaan. Het bevoegd gezag (meestal de gemeente of omgevingsdienst) toetst meldingen en vergunningaanvragen en stelt eventueel aanvullende voorschriften.
  • Algemene milieuregels (Activiteitenbesluit/Bal): Vrijwel alle bedrijven moeten zich houden aan algemene regels ter bescherming van het milieu, ongeacht vergunningplicht. Deze regels betreffen onder andere beperking van emissies naar lucht en water, geluidsnormen, afvalbeheer, bodembescherming bij opslag van vloeistoffen, energie-efficiëntie, etc.. Voor chemische stoffen specifiek zijn er eisen voor het gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen (zie Activiteitenbesluit en PGS-richtlijnen hieronder), voor het voorkomen van bodemverontreiniging (bijv. verplichte lekbakken, vloeistofdichte vloeren) en voor het beheersen van emissies van oplosmiddelen of dampen. Bedrijven moeten hun bedrijfsvoering zo inrichten dat ze aan deze algemene milieu-eisen voldoen. Dit kan inhouden: meetverplichtingen (bijvoorbeeld oplosmiddellogboek of emissiemetingen), onderhoudsvoorschriften voor installaties, en veilige opslag van chemicaliën volgens PGS 15 (zie verder). Het niet naleven van de gestelde eisen kan tot handhaving (boetes, last onder dwangsom of zelfs stillegging) leiden.
  • Zorgplicht milieu: een belangrijke open norm is de zorgplicht. Ieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving (artikel 1.6 Omgevingswet). Wie een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die nadelige gevolgen kan hebben, moet alle maatregelen nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, ze anders zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken, en de activiteit zo nodig achterwege laten (artikel 2.11 lid 1 Bal). Daartoe horen in ieder geval passende preventieve maatregelen, de beste beschikbare technieken en maatregelen tegen ongewone voorvallen (artikel 2.11 lid 2). Ook als iets niet expliciet in een vergunning of regel staat, moeten bedrijven dus zorgvuldig handelen. Dit speelt bijvoorbeeld bij een opslaglek of een calamiteit: je moet direct handelen om verdere schade te voorkomen.
  • Melding incidenten (ongewone voorvallen): bij een ongewoon voorval informeer je het bevoegd gezag onverwijld (artikel 2.21 Bal). Denk aan het morsen van een gevaarlijke stof waarbij bodem of riool wordt verontreinigd, een grote uitstoot door een processtoring of brand waarbij bluswater wegstroomt. Zodra ze bekend zijn, verstrek je gegevens over de oorzaak en de omstandigheden, de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen, de gevolgen en de maatregelen die je neemt of overweegt (artikel 2.22 Bal). De verplichtingen bij een ongewoon voorval staan verder in afdeling 19.1 van de Omgevingswet (artikel 19.1 e.v.). Bedrijven moeten dus interne procedures hebben om incidenten direct te herkennen en te melden.

Welke milieudocumentatie moet je bijhouden?

– Milieuadministratie: Bedrijven dienen een administratie bij te houden van alle milieu-relevante zaken, bijvoorbeeld hoe wordt voldaan aan algemene regels, resultaten van verplichte metingen/keuringen, afgevoerde afvalstoffen (veelal vereist op grond van Activiteitenbesluit/Bal).
– Vergunningendossier: Een bedrijf met een omgevingsvergunning moet een dossier hebben met daarin de vergunningsvoorschriften en aantoonbare naleving daarvan. Bij veranderingen in de bedrijfsvoering moet beoordeeld worden of een wijzigingsvergunning of melding nodig is.
– Incidentenregistratie: Het is verstandig (en deels verplicht) om intern incidenten met gevaarlijke stoffen te registreren en te onderzoeken. Significant milieu-incident: melding aan bevoegd gezag en opnemen in het bedrijfsnoodplan (zie de regels voor Seveso-inrichtingen in het Bal en de ARIE).
– Afvalstoffen: De Wet milieubeheer stelt tevens eisen aan het omgaan met (chemische) afvalstoffen. Gevaarlijke afvalstoffen moeten gescheiden gehouden en afgevoerd worden door erkende inzamelaars, en bedrijven moeten een afvalstoffenregister bijhouden. Wie gevaarlijk afval afgeeft, registreert die afgifte en bewaart de gegevens ten minste vijf jaar (artikel 10.38 Wm), en geeft de afvalstoffen mee met een omschrijving en een begeleidingsbrief (artikel 10.39 Wm). De ontvangende inzamelaar of verwerker meldt de afgifte aan het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (artikel 10.40 Wm).

(NB: Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden, waarbij de Wet milieubeheer deels is opgegaan in nieuwe kaders. Activiteitenbesluit is vervangen door het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De zorgplicht van artikel 1.1a Wm en de meldplicht voor ongewone voorvallen van artikel 17.2 Wm zijn per die datum vervallen; daarvoor gelden nu artikel 1.6 Omgevingswet en de artikelen 2.11, 2.21 en 2.22 Bal.)

Welke milieuregels gelden voor de opslag van gevaarlijke stoffen?

Uitleg: Het Activiteitenbesluit milieubeheer (AM) was tot de Omgevingswet van kracht als een Algemene Maatregel van Bestuur onder de Wet milieubeheer. Het bevatte concrete algemene regels voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten, waaronder het werken met en opslaan van gevaarlijke stoffen. Sinds 2013 gold: bedrijven die onder deze algemene regels vallen, hoefden geen individuele milieuvergunning meer aan te vragen, mits ze zich aan de voorschriften houden. Onder het Activiteitenbesluit vielen drie typen inrichtingen: type A (zeer beperkt milieueffect, geen meldingsplicht), type B (middelgroot, meldingsplichtig) en type C (vergunningplichtig). Veel chemisch gerelateerde activiteiten vielen in type B of C. De belangrijkste verplichtingen voor bedrijven voortvloeiend uit het Activiteitenbesluit (en tegenwoordig Bal) zijn:

  • Meldingsplicht milieubelastende activiteit: Bedrijven in categorie B moesten vóór de start van de activiteit een melding doen bij het bevoegd gezag (via het Omgevingsloket). Deze meldingsplicht gold bijv. voor opslag van gevaarlijke stoffen boven bepaalde drempels, gebruik van oplosmiddelen boven een bepaalde verbruikshoeveelheid, etc. De melding omvat gegevens over de bedrijfsactiviteit, de aard en hoeveelheden gevaarlijke stoffen, maatregelen ter bescherming van milieu, etc. Het Bal (opvolger van het Activiteitenbesluit) bepaalt per activiteit of een melding volstaat dan wel een vergunning vereist is. Een meldingsplichtige activiteit meld je ten minste vier weken vóór het begin, bijvoorbeeld het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking (artikel 4.1005 lid 1 Bal). Wil je de activiteit anders verrichten dan gemeld, dan meld je dat ook vier weken vooraf (lid 3). Is de activiteit vergunningplichtig, dan vervalt de meldplicht (lid 4).
  • Voorschriften voor opslag van gevaarlijke stoffen: Het Activiteitenbesluit verwees voor de veilige opslag van verpakte gevaarlijke stoffen naar de richtlijn PGS 15 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15). Bedrijven die gevaarlijke stoffen in emballage opslaan, moeten voldoen aan PGS 15-voorschriften omtrent onder andere: geschikte opslagvoorzieningen (brandwerende chemiekast, opvangbakken, geventileerde opslag), het gescheiden opslaan van onverenigbare stoffen (bijvoorbeeld zuren gescheiden van basen, bepaalde ADR-klassen apart houden), het houden van maximale hoeveelheden per opslagruimte, brandveiligheidsmaatregelen (bijv. blusmiddelen, rookmelders) en het bijhouden van een stoffeninventarisatie. De PGS 15 bevat ook eisen dat werknemers toegang hebben tot noodvoorzieningen (nooddouches, oogspoelers) en dat er interne noodplannen zijn voor calamiteiten. Deze PGS-richtlijn is geen wet op zich, maar wordt in vergunningen en algemene regels verplicht gesteld. Het Bal schrijft PGS 15 voor bij het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking (artikel 4.1012 Bal), met uitzondering van ADR-klasse 5.2 (artikel 4.1004) en enkele in artikel 4.1012 lid 2 genoemde stoffen. Naleving van PGS 15 reduceert risico’s op brand, explosie of lekkage en is een belangrijk onderdeel van compliance bij opslag.
  • Emissie- en bodemvoorschriften bij gebruik van stoffen: Voor activiteiten waarbij vluchtige organische stoffen (VOS) vrijkomen (bv. coatings, reinigen met solvents) kende het Activiteitenbesluit grenswaarden en maatregelen (bijvoorbeeld gebruik van oplosmiddelarme technieken of naverbranding bij hoge emissies). Voor opslag in tanks golden eisen mbt dampretourleiding. Ook waren er bodembeschermende maatregelen verplicht bij opslag van vloeistoffen: verplichte vloeistofdichte vloeren of lekbakken bij bepaalde hoeveelheden om bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen.
  • Bijzondere activiteiten: Het Activiteitenbesluit stelde specifieke regels voor uiteenlopende activiteiten, zoals het lozen van afvalwater met gevaarlijke stoffen (alleen onder voorwaarden toegestaan), het omgaan met koelinstallaties (voorkomen van lekkage koudemiddelen), en het transporteren van gevaarlijke stoffen op het bedrijfsterrein. Hoewel deze heel activiteit-specifiek zijn, dienden bedrijven in de chemiesector hun situatie te toetsen aan de relevante paragrafen van het besluit.
  • Controle en handhaving: Bedrijven moesten op verzoek van toezichthouders kunnen aantonen dat ze voldoen aan de voorschriften. Vaak hield dit in dat men actuele logboeken, meetrapporten of keuringsrapporten gereed heeft. De overheid kon bij overtreding direct bestuursrechtelijke maatregelen nemen.

Vergunningen onder Activiteitenbesluit: Bepaalde bedrijven bleven type C (vergunningplichtig) omdat zij buiten de reikwijdte van de algemene regels vielen (bijv. zeer grote chemische installaties, BRZO-plichtige bedrijven, activiteiten met specifieke milieurisico’s). Deze bedrijven moesten een omgevingsvergunning (milieu) hebben, maar ook zij moesten vaak de PGS- en Activiteitenbesluitnormen naleven via hun vergunningvoorschriften.

Let op: Met de invoering van de Omgevingswet zijn de voorschriften uit het Activiteitenbesluit per 2024 overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De systematiek van melding of vergunning per activiteit is daarbij gecontinueerd. Voor opslag van gevaarlijke stoffen verwijst het Bal nog steeds naar PGS 15 en aanverwante normen (artikel 4.1012 Bal). Ook de regels voor Seveso-inrichtingen (tot 2024 het Brzo 2015) staan erin: het exploiteren van een Seveso-inrichting is vergunningplichtig (artikel 3.50-3.51 Bal) en de inhoudelijke regels staan in paragraaf 4.2 van het Bal.

Welke compliance-eisen gelden samengevat?

  • Check vergunning/melding: Voordat je met chemische activiteiten start of uitbreidt, doe de vergunningencheck via het Omgevingsloket. Bepaal of een melding volstaat of dat je een omgevingsvergunning milieu moet aanvragen.
  • Volg algemene regels: Implementeer interne maatregelen om te voldoen aan alle relevante algemene milieuregels (emissies, afval, opslag, PGS 15, enz.). Documenteer deze in bijvoorbeeld een milieuhandboek.
  • Opslag veilig inrichten: Zorg dat opslagruimten voor gevaarlijke stoffen voldoen aan PGS 15: o.a. geschikte kasten/containers, scheiding van incompatibele stoffen, maximum hoeveelheden per ruimte, brandpreventie. Houd een register van opgeslagen gevaarlijke stoffen bij (incl. ADR-classificatie) voor jezelf en hulpdiensten.
  • Meld ongewone voorvallen: informeer het bevoegd gezag onverwijld (artikel 2.21 Bal) en zorg voor een procedure om incidenten meteen te melden.
  • Evaluatie: Controleer periodiek of je bedrijf nog voldoet (bij wijzigingen in activiteiten of in de wetgeving). Onder de Bal is het begrip “inrichting” vervangen door regulering per activiteit, dus men moet per afzonderlijke activiteit (bijv. coaten, opslaan, reinigen) de regels naleven.

Wat eist de Arbowet bij werken met gevaarlijke stoffen?

Uitleg: Naast milieuverplichtingen moeten bedrijven ook zorgen voor de veiligheid en gezondheid van werknemers bij het werken met chemische stoffen. Deze verplichtingen vloeien voort uit de Arbeidsomstandighedenwet en het onderliggende Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit). Waar milieuregelgeving vooral om externe veiligheid en milieu gaat, richt de Arbowet zich op de interne veiligheid: voorkomen van blootstelling van personeel aan schadelijke stoffen, explosie- en brandveiligheid op de werkvloer, en het hebben van noodprocedures. Enkele kerneisen voor gevaarlijke stoffen onder de Arbowetgeving zijn:

Wat moet in de risico-inventarisatie en -evaluatie staan?

Ieder bedrijf met personeel is verplicht een RI&E uit te voeren (artikel 5 Arbowet), waarin alle arbeidsrisico’s in kaart worden gebracht, inclusief die van werken met gevaarlijke stoffen. In de RI&E moet worden vastgelegd aan welke gevaarlijke stoffen werknemers kunnen worden blootgesteld (artikel 4.2 Arbobesluit), in welke processen, en welke gevaren deze met zich meebrengen (bijv. toxiciteit, brand- of explosiegevaar). Ook moet aangegeven worden welke maatregelen de werkgever neemt om deze risico’s te beheersen. De RI&E moet schriftelijk beschikbaar zijn en werknemers moeten deze kunnen inzien. Voor veel branches zijn arbocatalogi of hulpmiddelen beschikbaar om de RI&E op te stellen.

Arbeidshygiënische strategie (bron-aanpak)

Werkgevers moeten de blootstelling aan gevaarlijke stoffen voorkomen of minimaliseren volgens de arbeidshygiënische strategie. Dit betekent: 1) waar mogelijk de gevaarlijke stof elimineren of vervangen door een minder gevaarlijke (substitutie); 2) collectieve technische maatregelen nemen (afzuiging, gesloten systemen, ventilatie) om blootstelling te verminderen; 3) organisatorische maatregelen (bijv. minder mensen blootstellen, werkduur beperken); en 4) pas in laatste instantie persoonlijke beschermingsmiddelen inzetten. Deze volgorde is vastgelegd in artikel 3 lid 1 onder b Arbowet en, voor gevaarlijke stoffen, in artikel 4.4 Arbobesluit; vervanging is verplicht voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is. Ze staat centraal bij veilig werken met stoffen. Bedrijven moeten kunnen aantonen dat zij deze strategie volgen, bijvoorbeeld dat ze actief zoeken naar minder schadelijke alternatieven en passende maatregelen treffen.

Grenzwaarden en blootstellingsbeoordeling

Voor veel gevaarlijke stoffen zijn wettelijke grenswaarden (maximale toegestane concentraties in lucht op de werkplek, vroeger MAC-waarden genoemd) vastgesteld. De werkgever moet de concentratie van zulke stoffen in de ademzone van werknemers beoordelen en ervoor zorgen dat deze onder de grenswaarde blijft. Dit kan door metingen te verrichten of erkende schattingsmodellen te gebruiken. Als uit een meting blijkt dat een grenswaarde overschreden wordt, moet het bedrijf aanvullende maatregelen nemen om de blootstelling terug te dringen. De beoordeling staat in artikel 4.2 en de grenswaarden worden op grond van artikel 4.3 Arbobesluit bij ministeriële regeling vastgesteld; ontbreekt een wettelijke grenswaarde, dan stelt de werkgever er zelf een vast (artikel 4.3 lid 2). Voor kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen moet de blootstelling bovendien, voor zover technisch uitvoerbaar, worden voorkomen of teruggebracht tot een zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde (artikel 4.18 Arbobesluit).

Voorlichting en training

Werknemers die met of nabij gevaarlijke stoffen werken, moeten adequaat geïnstrueerd worden over de risico’s en de te treffen voorzorgsmaatregelen. Artikel 8 Arbowet eist gerichte voorlichting en onderricht. Dit houdt o.a. in: uitleg over de gevaren (etiket/VIB), hoe stoffen veilig te hanteren (bijv. gebruik afzuiging, draagplicht PBM’s), wat te doen bij spills of noodsituaties, en hoe afval te verwijderen. Praktisch zorgt de werkgever dat VIB’s beschikbaar zijn op de werkvloer en dat werknemers weten waar deze te vinden zijn. Vaak worden periodieke trainingen “veilig werken met gevaarlijke stoffen” gegeven, inclusief bijvoorbeeld oefenen met nooddouches of ademlucht.

Veiligheidsmaatregelen en PBM’s

De werkgever moet alle nodige veiligheidsmaatregelen treffen. Dit omvat fysieke maatregelen (bijv. explosieveilige apparatuur conform ATEX-richtlijnen als er explosieve gas- of stofmengsels kunnen ontstaan), organisatorische maatregelen (toegangsbeperking tot ruimtes met gevaarlijke stoffen, juiste etikettering/opslag intern), én waar noodzakelijk persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) ter beschikking stellen. PBM’s kunnen zijn: geschikte handschoenen, veiligheidsbril, adembescherming (bij overschrijding grenswaarden of bij nood). Daarnaast moet er een goed werkende noodorganisatie zijn: BHV’ers getraind in chemische ongevallen, oogdouches en blusmiddelen aanwezig, duidelijke veiligheidsinstructies en pictogrammen op de werkplek etc.

Specifieke regels voor kankerverwekkende stoffen en CMR’s

Het Arbobesluit stelt extra strenge eisen aan kankerverwekkende, mutagene en reproductietoxische stoffen (CMR-stoffen, categorie 1A/1B). Werkgevers houden voor CMR-stoffen een lijst bij van werknemers die eraan worden of kunnen worden blootgesteld, met de blootstelling die zij hebben ondergaan; iedere werknemer mag zijn eigen gegevens inzien (artikel 4.15 Arbobesluit). Ook geldt een verbod op jongeren en zwangere vrouwen bij bepaalde CMR-blootstellingen. Voor kankerverwekkers is een substitutieplicht: de werkgever moet gebruik van zo’n stof vervangen als technisch uitvoerbaar (Arbobesluit art. 4.17). Dit betekent dat men moet kunnen aantonen dat men actief alternatieven heeft overwogen.

Werkpleketikettering en opslag intern

Naast de externe etikettering volgens CLP moeten gevaarlijke stoffen op de werkplek duidelijk herkenbaar zijn. Vaten, leidingen en tanks op het bedrijfsterrein horen voorzien te zijn van de juiste gevaarsymbolen of namen zodat werknemers weten wat erin zit. Interne opslag moet ordelijk en veilig zijn; hier komt PGS 15 weer in beeld vanuit arbeidsveiligheidsperspectief (overlap met milieu).

Aanvullende regels – Seveso-inrichtingen en ARIE

Voor bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen gelden nog aanvullende eisen bovenop de standaard Arbowetgeving. Dit betreft:

  • Seveso-inrichtingen (tot 2024: Brzo 2015) – Het Brzo 2015 is per 1 januari 2024 vervallen. Het exploiteren van een Seveso-inrichting is nu een vergunningplichtige milieubelastende activiteit (artikel 3.50-3.51 Bal). Paragraaf 4.2 van het Bal regelt onder meer het preventiebeleid (artikel 4.10) en het veiligheidsbeheerssysteem (artikel 4.11), en voor hogedrempelinrichtingen het veiligheidsrapport (artikel 4.14) en het intern noodplan (artikel 4.22). Bij overtreding van de regels ter uitvoering van de artikelen 5 en 7 tot en met 12 van de Seveso-richtlijn kan het bevoegd gezag een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de zesde categorie of, als dat meer is, 10 % van de jaaromzet (artikel 18.11 Omgevingswet).
  • ARIE-regeling (Aanvullende Risico Inventarisatie & Evaluatie): Dit is een nationale regeling in hoofdstuk 2, afdeling 2 van het Arbobesluit (artikel 2.2 e.v.). Zij geldt bij de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen boven de drempelwaarden van een ministeriële regeling (artikel 2.3 lid 1), ook bij bedrijven die onder de drempels voor Seveso-inrichtingen blijven, en mede voor Seveso-inrichtingen (artikel 2.4). Bedrijven die de drempelwaarden uit Bijlage I van de ARIE-regeling overschrijden (bijv. een bepaalde grote hoeveelheid chloor, LPG, ammoniak etc. beneden Seveso-niveau) worden ARIE-plichtig. Deze bedrijven moeten een Aanvullende RI&E uitvoeren gericht op scenario’s van grote ongevallen, en die zo vaak als nodig en ten minste eenmaal per vijf jaar evalueren (artikel 2.5c lid 2 Arbobesluit). In grote lijnen moeten ARIE-bedrijven dezelfde maatregelen nemen als Seveso-inrichtingen om zware ongevallen te voorkomen. Zo moeten ze een beleid opstellen, een veiligheidsbeheersysteem hebben en interne noodplannen voorbereiden. ARIE-plichtigen moeten zich bovendien melden bij de Nederlandse Arbeidsinspectie als ARIE-bedrijf. De Arbeidsinspectie houdt hier toezicht op. ARIE is dus een soort ‘Seveso-light’ binnen het arbeidsveiligheidsrecht.

Meldings- en documentatieplichten onder Arbowet

  • RI&E-document: Een actuele, schriftelijke RI&E met plan van aanpak is verplicht (artikel 5 lid 1 en 3 Arbowet). De RI&E wordt getoetst door een gecertificeerde deskundige of arbodienst (artikel 14 lid 1 onder a Arbowet); werkgevers met in de regel ten hoogste 25 werknemers zijn daarvan onder voorwaarden vrijgesteld, bijvoorbeeld als zij een erkend model uit een cao of regeling gebruiken (artikel 14 lid 12).
  • Registratie gevaarlijke stoffen: In de RI&E leg je vast aan welke gevaarlijke stoffen werknemers kunnen worden blootgesteld en welke gevaren daaraan verbonden zijn (artikel 4.2 lid 2 Arbobesluit). Werk je met CMR-stoffen, dan houd je ook een lijst bij van de werknemers die eraan worden blootgesteld (artikel 4.15 Arbobesluit). In de praktijk is een stoffenlijst met hoeveelheid, locatie, gevarenklasse en VIB onmisbaar, voor de RI&E en bij noodsituaties.
  • Voorlichting/instructie registratie: Bijhouden wanneer personeel is getraind in omgang met gevaarlijke stoffen (toolbox-meetings, instructieformulieren) kan aantonen dat aan de instructieverplichting is voldaan.
  • Melding arbeidsongevallen: Arbeidsongevallen die leiden tot de dood, blijvend letsel of een ziekenhuisopname meldt de werkgever direct aan de Arbeidsinspectie; daarnaast houdt hij een lijst bij van gemelde ongevallen en ongevallen met meer dan drie werkdagen verzuim (artikel 9 lid 1 en 2 Arbowet). Dit staat los van de melding van ongewone voorvallen aan het bevoegd gezag onder het Bal, maar geldt ook als gevaarlijke stoffen betrokken zijn.
  • ARIE-melding: Zoals genoemd, ARIE-plichtige bedrijven melden zich zo spoedig mogelijk bij de Arbeidsinspectie en doen een nieuwe melding bij wijziging van de gemelde gegevens, bij een verandering die belangrijke gevolgen kan hebben voor de risico’s van zware ongevallen, als de ARIE niet meer van toepassing is en bij sluiting (artikel 2.5h Arbobesluit).
  • Verslaglegging inspecties: Interne en externe inspecties (bijvoorbeeld keuring explosieveilig materieel, controle van lokale afzuiging) moeten gedocumenteerd zijn.

Veelgestelde vragen over compliance bij chemische stoffen

Is een register van gevaarlijke stoffen verplicht?

De Arbowet vraagt dat je in de risico-inventarisatie en -evaluatie vastlegt aan welke gevaarlijke stoffen werknemers kunnen worden blootgesteld en welke gevaren daaraan verbonden zijn (artikel 5 Arbowet en artikel 4.2 lid 2 Arbobesluit). Voor CMR-stoffen houd je een lijst bij van blootgestelde werknemers (artikel 4.15 Arbobesluit). Een actuele stoffenlijst is daarom in de praktijk onmisbaar.

Wat is een CLP-notificatie?

Er zijn twee meldingen. Fabrikanten en importeurs melden de indeling en etikettering van gevaarlijke en registratieplichtige stoffen binnen een maand na het in de handel brengen aan de C&L-inventaris van ECHA (artikel 40 lid 3 CLP). Importeurs en downstreamgebruikers melden gevaarlijke mengsels vóór het in de handel brengen bij de vergiftigingencentra, met een UFI (artikel 45 en bijlage VIII).

Wanneer moet ik een chemische stof registreren?

Als fabrikant of importeur registreer je een stof, als zodanig of in een mengsel, bij ECHA zodra je er 1 ton of meer per jaar van vervaardigt of invoert (artikel 6 lid 1 REACH). Zonder vereiste registratie mag de stof niet worden vervaardigd of in de handel gebracht (artikel 5).

Wat moet er op een CLP-etiket staan?

Naam, adres en telefoonnummer van de leverancier, bij levering aan het publiek de nominale hoeveelheid, de productidentificatoren, de gevarenpictogrammen, het signaalwoord, de H- en P-zinnen en eventuele aanvullende informatie, in de officiële taal of talen van de lidstaat (artikel 17 lid 1 en 2 CLP). De herziene opmaakregels uit Verordening (EU) 2024/2865 zijn uitgesteld en gelden volgens Verordening (EU) 2025/2439 vanaf 1 januari 2028.

Geldt de zorgplicht van de Wet milieubeheer nog?

Nee. Artikel 1.1a Wm is per 1 januari 2024 vervallen. Nu geldt de algemene zorgplicht van artikel 1.6 Omgevingswet en, voor milieubelastende activiteiten, de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 Bal. Een ongewoon voorval meld je onverwijld aan het bevoegd gezag (artikel 2.21 Bal).

Primaire bronnen

Wanneer schakel je een advocaat product compliance in?

Compliance op het gebied van chemische stoffen vergt van bedrijven een integrale benadering: men moet zowel de EU-vereisten (REACH/CLP) als de nationale milieu- en arboregelgeving naleven. Dit betekent dat bedrijven procedures moeten inrichten voor registratie van stoffen (REACH), correcte etikettering en VIB-verspreiding (CLP/REACH), het verkrijgen van de juiste vergunningen of doen van meldingen (Omgevingswet en Bal), het nemen van veiligheidsmaatregelen op de werkvloer (Arbowet) en, voor de grootste risicobedrijven, het implementeren van een hoogstaand veiligheidsbeheerssysteem en noodorganisatie (de Seveso-regels in paragraaf 4.2 Bal).

Door tijdig te voldoen aan registratie- en meldplichten, door correcte labeling en informatievoorziening, en door interne controles, houden bedrijven grip op hun chemische compliance. Niet alleen worden boetes en aansprakelijkheden zo voorkomen, maar belangrijker: het draagt bij aan de bescherming van werknemers, omwonenden en het milieu tegen de gevaren van gevaarlijke stoffen.

Blijf op de hoogte van onze nieuwsberichten en events
Over welke onderwerpen wil je updates ontvangen?
In welke branche of sector ben je actief? (optioneel)

Waar ben je naar op zoek?