De Speelgoedrichtlijn (Richtlijn 2009/48/EG) bepaalt aan welke veiligheidseisen speelgoed moet voldoen dat in de EU op de markt komt. Speelgoed is elk product dat is ontworpen of bestemd om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (artikel 2 lid 1). De richtlijn wordt vervangen door de Speelgoedverordening, Verordening (EU) 2025/2509, die geldt vanaf 1 augustus 2030.
Wat valt juridisch onder speelgoed?
De richtlijn geldt voor producten die, al dan niet uitsluitend, zijn ontworpen of bestemd om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (artikel 2 lid 1). Bijlage I noemt producten die in elk geval niet als speelgoed gelden, zoals producten voor verzamelaars met een duidelijke vermelding dat ze bestemd zijn voor verzamelaars van 14 jaar en ouder, sportuitrusting voor kinderen die meer dan 20 kg wegen en puzzels met meer dan 500 stukjes. Daarnaast is de richtlijn niet van toepassing op onder meer speeltoestellen voor openbaar gebruik en speelgoedvoertuigen met een verbrandingsmotor (artikel 2 lid 2).
Wat zijn de belangrijkste juridische aspecten van de Speelgoedrichtlijn?
- Veiligheidseisen: Speelgoed moet voldoen aan belangrijke veiligheidseisen om de gezondheid en veiligheid van gebruikers en derden te beschermen. Dit omvat onder andere bescherming tegen chemische, fysische, mechanische, elektrische, hygiënische, radioactieve en ontvlambaarheidsgevaren (artikel 10 en bijlage II).
- Specifieke voorschriften voor jonge kinderen: speelgoed dat duidelijk bestemd is voor kinderen jonger dan 36 maanden, en de onderdelen en afneembare delen daarvan, moeten zo groot zijn dat ze niet kunnen worden ingeslikt of ingeademd. Dat geldt ook voor ander speelgoed dat bedoeld is om in de mond te worden gestoken (bijlage II, deel I, punt 4, onder d).
- In de handel brengen en op de markt aanbieden: op de markt aanbieden is elke levering van speelgoed voor distributie, consumptie of gebruik op de EU-markt in het kader van een handelsactiviteit, tegen betaling of gratis. In de handel brengen is het voor het eerst op de markt aanbieden van speelgoed in de EU (artikel 3, punten 1 en 2).
- Fabrikantenverplichtingen: fabrikanten moeten vóór het in de handel brengen de chemische, fysische, mechanische, elektrische, ontvlambaarheids-, hygiëne- en radioactiviteitsgevaren van het speelgoed analyseren en de blootstelling daaraan beoordelen (artikel 18). Daarna stellen zij de technische documentatie op, doorlopen zij de conformiteitsbeoordelingsprocedure en stellen zij, als de conformiteit is aangetoond, de EG-verklaring van overeenstemming op en brengen zij de CE-markering aan (artikel 4 lid 2, artikelen 15, 17, 19 en 21).
- Harmonisatie en nationale aanpassing: De richtlijn beoogt harmonisatie van de wetgeving binnen de EU om een gelijk speelveld voor bedrijven te creëren en de handel in speelgoed tussen lidstaten niet te belemmeren. Lidstaten moeten de richtlijn omzetten in nationaal recht. In Nederland is dat gebeurd in het Warenwetbesluit speelgoed 2011, dat voor begrippen als speelgoed, fabrikant en in de handel brengen naar de richtlijn verwijst (artikel 1).
Wanneer moet speelgoed een CE-markering hebben?
Speelgoed dat in de EU op de markt wordt aangeboden, moet de CE-markering dragen (artikel 16 lid 1). Daarmee geeft de fabrikant aan dat het speelgoed voldoet aan de toepasselijke EU-eisen. De markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar aangebracht op het speelgoed, op een etiket of op de verpakking, en wel vóór het in de handel brengen (artikel 17).
Fabrikanten moeten:
- Een veiligheidsbeoordeling uitvoeren (artikel 18)
- Een conformiteitsbeoordelingsprocedure doorlopen (artikel 19)
- Technische documentatie opstellen en tien jaar bewaren (artikel 4 lid 3 en artikel 21)
- Een EG-verklaring van overeenstemming opstellen (artikel 15)
- De CE-markering aanbrengen (artikel 17)
Welke etikettering en waarschuwingen zijn verplicht?
Speelgoed moet voorzien zijn van:
- Naam, geregistreerde handelsnaam of merk en contactadres van de fabrikant en, bij import, ook van de importeur; als dat niet op het speelgoed kan, op de verpakking of in een begeleidend document (artikel 4 lid 6 en artikel 6 lid 3)
- Een type-, partij-, serie- of modelnummer of een ander identificatiemiddel (artikel 4 lid 5)
- Waarschuwingen met zo nodig gebruiksbeperkingen, zoals een minimum- of maximumleeftijd, voorafgegaan door het woord ‘Waarschuwing’. Waarschuwingen die de aankoopbeslissing bepalen, moeten vóór de aankoop zichtbaar zijn, ook bij online verkoop (artikel 11 en bijlage V)
- Een gebruiksaanwijzing en veiligheidsinformatie in een taal of talen die consumenten gemakkelijk begrijpen, zoals bepaald door de lidstaat (artikel 4 lid 7 en artikel 6 lid 4)
Door deze strenge veiligheidseisen te hanteren, beoogt de Speelgoedrichtlijn 2009/48/EG een hoog niveau van bescherming te bieden voor de gezondheid en veiligheid van kinderen in de Europese Unie.
Hoe verloopt de conformiteitsbeoordeling van speelgoed?
Er zijn twee mogelijke routes voor conformiteitsbeoordeling:
- Interne productiecontrole (module A) door de fabrikant zelf, als hij geharmoniseerde normen heeft toegepast die alle relevante veiligheidseisen voor het speelgoed dekken (artikel 19 lid 2)
- EG-typeonderzoek door een aangemelde instantie, gevolgd door conformiteit met het type (module C). Deze route is verplicht als geharmoniseerde normen ontbreken, niet of maar gedeeltelijk zijn toegepast of met een beperking zijn gepubliceerd. Ook als de fabrikant vindt dat het speelgoed verificatie door een derde vereist, volgt hij deze route (artikel 19 lid 3 en artikel 20)
De Speelgoedrichtlijn is belangrijk omdat zij een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid van kinderen beoogt en tegelijkertijd zorgt voor een uniforme regelgeving binnen de EU, wat de handel vergemakkelijkt.
Wat verandert er met de nieuwe Speelgoedverordening?
De Speelgoedrichtlijn wordt vervangen door Verordening (EU) 2025/2509 van 26 november 2025 betreffende de veiligheid van speelgoed. De verordening is op 12 december 2025 bekendgemaakt in het Publicatieblad en op 1 januari 2026 in werking getreden, de twintigste dag na de bekendmaking. Zij is van toepassing vanaf 1 augustus 2030. Alleen de bepalingen over aangemelde instanties (artikelen 28 tot en met 44) en over gedelegeerde handelingen, comitéprocedure, vertrouwelijkheid en sancties (artikelen 49 tot en met 55) gelden al sinds 1 januari 2026 (artikel 59).
De richtlijn wordt met ingang van 1 augustus 2030 ingetrokken (artikel 56). Voor de overgang geldt: lidstaten mogen het op de markt aanbieden van speelgoed dat vóór 1 augustus 2030 in overeenstemming met de richtlijn in de handel is gebracht, niet belemmeren (artikel 57 lid 1). EG-typeonderzoekscertificaten die onder de richtlijn zijn afgegeven, blijven geldig tot 1 februari 2031, tenzij ze eerder verlopen (artikel 57 lid 3).
Het toepassingsgebied blijft speelgoed voor kinderen jonger dan 14 jaar (artikel 2 lid 1 van de verordening). Nieuw is onder meer het digitale productpaspoort: de fabrikant moet dat voor elk speelgoed opstellen voordat hij het in de handel brengt (artikel 19 lid 1). Tot 1 augustus 2030 blijven de eisen van de richtlijn gelden.
Veelgestelde vragen over de Speelgoedrichtlijn en de Speelgoedverordening
Wat is het nummer van de nieuwe Speelgoedverordening?
Het gaat om Verordening (EU) 2025/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2025 betreffende de veiligheid van speelgoed en tot intrekking van Richtlijn 2009/48/EG. Zij is bekendgemaakt in het Publicatieblad van 12 december 2025.
Vanaf wanneer geldt de Speelgoedverordening?
De verordening is op 1 januari 2026 in werking getreden en is van toepassing vanaf 1 augustus 2030. De artikelen 28 tot en met 44 en 49 tot en met 55 gelden al vanaf 1 januari 2026 (artikel 59).
Mag ik speelgoed volgens de oude richtlijn na 1 augustus 2030 nog verkopen?
Ja, als het speelgoed vóór 1 augustus 2030 in overeenstemming met Richtlijn 2009/48/EG in de handel is gebracht. Lidstaten mogen het op de markt aanbieden daarvan niet belemmeren (artikel 57 lid 1 van de verordening). Speelgoed dat je vanaf 1 augustus 2030 voor het eerst in de handel brengt, moet aan de verordening voldoen.
Wanneer is een product speelgoed?
Als het, al dan niet uitsluitend, is ontworpen of bestemd om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt (artikel 2 lid 1 van de richtlijn). Bijlage I noemt producten die in elk geval geen speelgoed zijn, zoals puzzels met meer dan 500 stukjes.
Moet ik altijd een aangemelde instantie inschakelen?
Nee. Heb je geharmoniseerde normen toegepast die alle relevante veiligheidseisen dekken, dan volstaat interne productiecontrole. Een EG-typeonderzoek door een aangemelde instantie is nodig als zulke normen ontbreken, niet of gedeeltelijk zijn toegepast of met een beperking zijn gepubliceerd (artikel 19 van de richtlijn).
Primaire bronnen
- Richtlijn 2009/48/EG betreffende de veiligheid van speelgoed, artikelen 2, 3, 4, 6, 10, 11, 15 tot en met 21 en bijlagen I, II en V
- Verordening (EU) 2025/2509 betreffende de veiligheid van speelgoed, artikelen 2, 19, 56, 57 en 59
- Warenwetbesluit speelgoed 2011, aanhef en artikel 1
Advocatenkantoor in Amsterdam gespecialiseerd in de Speelgoedrichtlijn
MAAK Advocaten behartigt graag je belangen en onze advocaten hebben de kennis en ervaring die je zoekt. Door cliënten worden we aanbevolen vanwege onze daadkrachtige, to-the-point en praktische oplossingen. Voor al je vragen rondom de Speelgoedrichtlijn staan we je dan ook graag bij met advies en juridische ondersteuning. Onze ervaren advocaat commercial law, Remko Roosjen, sta je graag als eerste te woord en hij bespreekt met je de zaak en de uitdagingen die voorliggen.