Stuiten van de verjaring betekent dat je voorkomt dat je vordering verjaart. Dat doe je met een eis of andere daad van rechtsvervolging (art. 3:316 BW), een schriftelijke aanmaning of mededeling waarin je je recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehoudt (art. 3:317 BW), of een erkenning door de schuldenaar (art. 3:318 BW). Daarna begint in de regel een nieuwe verjaringstermijn (art. 3:319 BW).
Een bijzonder geval is een vordering op een bv die na een faillissement is opgehouden te bestaan. De Hoge Raad besliste in 2017 dat je de verjaring van zo’n vordering niet hoeft te stuiten zolang de rechtspersoon niet meer bestaat (HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1182, r.o. 3.3.3). Hieronder lees je eerst hoe stuiting werkt en welke termijnen gelden, en daarna wat dit arrest voor jou betekent.
Wat is het stuiten van de verjaringstermijn?
Stuiten betekent dat je een lopende verjaringstermijn doorbreekt. Na de stuiting begint met de aanvang van de volgende dag een nieuwe verjaringstermijn (art. 3:319 lid 1 BW). Die nieuwe termijn is even lang als de oorspronkelijke, maar niet langer dan vijf jaar. De verjaring treedt nooit eerder in dan wanneer de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken (art. 3:319 lid 2 BW). Stuit je de verjaring met een eis die de rechter toewijst, dan begint geen nieuwe termijn. Je hebt dan een vonnis, en de bevoegdheid om dat vonnis ten uitvoer te leggen verjaart in beginsel na twintig jaar (art. 3:324 lid 1 BW).
Stuiting is iets anders dan verlenging. Bij verlenging loopt de termijn door totdat zes maanden zijn verstreken na het verdwijnen van een verlengingsgrond, als de termijn anders tijdens het bestaan van die grond of binnen zes maanden daarna zou aflopen (art. 3:320 BW). De gronden staan onder meer in art. 3:321 BW. Een vergelijkbare regel geldt voor een rechtspersoon die heeft opgehouden te bestaan (art. 2:23c lid 2 BW) en tijdens een faillissement (art. 36 lid 1 Faillissementswet). Daarover gaat het arrest uit 2017.
Welke verjaringstermijn geldt voor je vordering?
Hoeveel tijd je hebt, hangt af van de vordering. Een vordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst tot een geven of een doen, zoals betaling van een factuur, verjaart vijf jaar na de aanvang van de dag na die waarop zij opeisbaar werd (art. 3:307 lid 1 BW). Een vordering tot schadevergoeding, ook uit onrechtmatige daad, verjaart vijf jaar na de aanvang van de dag na die waarop je zowel met de schade als met de aansprakelijke persoon bekend bent geworden, en in ieder geval twintig jaar na de gebeurtenis die de schade veroorzaakte (art. 3:310 lid 1 BW).
Voor schade door verontreiniging van lucht, water of bodem, door een gevaarlijke stof (art. 6:175 BW) of door bodembeweging bij mijnbouw (art. 6:177 lid 1 onder b BW) is de uiterste termijn dertig jaar (art. 3:310 lid 2 BW). Bij schade door letsel of overlijden geldt de uiterste termijn van twintig jaar niet (art. 3:310 lid 5 BW). Bepaalt de wet niets anders, dan verjaart een rechtsvordering na twintig jaar (art. 3:306 BW).
Hoe stuit je de verjaring van een vordering?
De wet kent drie hoofdwegen om de verjaring te stuiten:
- Een eis of een andere daad van rechtsvervolging die in de vereiste vorm gebeurt, zoals een dagvaarding (art. 3:316 lid 1 BW). Leidt de eis niet tot toewijzing, dan is de verjaring alleen gestuit als je binnen zes maanden na het einde van die procedure een nieuwe eis instelt die wel wordt toegewezen. Een ingetrokken daad van rechtsvervolging stuit niet (art. 3:316 lid 2 BW). Voor een bindend advies en voor bepaalde onbevoegdverklaringen gelden eigen regels (art. 3:316 lid 3 en 4 BW).
- Een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin je je recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW). De schuldenaar moet een voldoende duidelijke waarschuwing krijgen dat hij rekening moet blijven houden met je aanspraak (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:766, r.o. 3.6.2). Dat kan ook bij een vordering tot schadevergoeding (r.o. 3.8). Voor andere rechtsvorderingen werkt een schriftelijke aanmaning alleen als je binnen zes maanden ook een stuitingshandeling van art. 3:316 BW verricht (art. 3:317 lid 2 BW).
- Erkenning van je recht door de schuldenaar (art. 3:318 BW). De stuiting werkt tegen degene die erkent. Een erkenning hoeft niet op schrift te staan; zij kan ook uit gedragingen blijken (art. 3:37 lid 1 BW).
Een stuitingsbrief werkt in beginsel pas als hij de schuldenaar heeft bereikt. Dat is anders als het niet bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt (art. 3:37 lid 3 BW). Zorg er daarom voor dat je verzending en ontvangst kunt aantonen. Welke termijn geldt en wanneer die is gaan lopen, verschilt per vordering (zie hierboven).
Moet je de verjaring stuiten als de bv failliet is of niet meer bestaat?
In de zaak die de Hoge Raad in 2017 besliste, had de Rabobank een financieringsovereenkomst gesloten met Horeca Concept Building B.V. Een particulier had zich daarvoor borg gesteld tot maximaal € 100.000. De bv ging in 2005 failliet. In 2006 werd het faillissement opgeheven bij gebrek aan baten. Daardoor werd de bv ontbonden en hield zij op te bestaan (art. 2:19 lid 1 onder c en lid 4 BW). Toen de bank de borg aansprak, voerde hij aan dat de vordering op de bv was verjaard, zodat ook de borgtocht was tenietgegaan (art. 7:853 BW). Gesteld noch gebleken was dat de bank de verjaring tegenover de bv had gestuit (zoals het hof overwoog, r.o. 3.2.2). De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de borg. De Hoge Raad oordeelde (ECLI:NL:HR:2017:1182):
“3.3.3. Art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW geeft een regel voor het tijdstip waarop een verjaringstermijn van een vordering op een rechtspersoon eindigt nadat die rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Die regel veronderstelt dat een lopende verjaringstermijn in elk geval niet afloopt zolang de vereffening van de rechtspersoon niet is heropend op de voet van art. 2:23c lid 1 BW. Dit brengt mee dat heropening van de vereffening geen vereiste is voor het (voort)lopen van de verjaringstermijn. Om dezelfde reden behoeft een verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande rechtspersoon niet te worden gestuit gedurende de periode dat die rechtspersoon niet meer bestaat.”
Ons eerste overleg met een advocaat contractenrecht over verjaring en stuiting is altijd vrijblijvend en vertrouwelijkheid is gewaarborgd. Telefonisch zijn we voor je van maandag t/m vrijdag van 09.00 tot 21.00 uur bereikbaar onder T: 020 210 31 38 en e-mails lezen we dagelijks (). Vooraf een vraag insturen of een terugbelverzoek achterlaten? Dat kan via ons contactformulier.
Wat betekent dit arrest voor jou als schuldeiser?
Is je schuldenaar een rechtspersoon die na een faillissement of vereffening heeft opgehouden te bestaan, dan verjaart je vordering niet zolang de vereffening niet is heropend. In die periode hoef je de verjaring niet te stuiten (HR 2017:1182, r.o. 3.3.3). Komt er later nog een schuldeiser op of blijkt er alsnog een bate, dan kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen. De rechtspersoon herleeft dan, maar alleen om de heropende vereffening af te wikkelen (art. 2:23c lid 1 BW). Zou de verjaringstermijn aflopen terwijl de rechtspersoon niet bestond, of binnen zes maanden na de heropening, dan loopt hij door totdat zes maanden na de heropening zijn verstreken (art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW; r.o. 3.3.2). Na een heropening moet je dus snel handelen.
Ook tijdens het faillissement zelf verjaart een vordering die voldoening uit de boedel beoogt niet zomaar. Zou de termijn aflopen tijdens het faillissement of binnen zes maanden na het einde daarvan, dan loopt hij door totdat zes maanden na het einde van het faillissement zijn verstreken (art. 36 lid 1 Faillissementswet, met art. 26 Faillissementswet). Op de rechtspersoon zelf kun je alleen iets verhalen als er alsnog een bate blijkt. Het arrest is daarom vooral van belang als je een borg aanspreekt: zolang de vordering op de verdwenen bv niet is verjaard, gaat de borgtocht niet op grond van art. 7:853 BW teniet.
Veelgestelde vragen over het stuiten van de verjaring
Wat is stuiting van de verjaring?
Stuiting betekent dat je een lopende verjaringstermijn doorbreekt, zodat je vordering niet verjaart. Na de stuiting begint in de regel een nieuwe termijn, even lang als de oorspronkelijke maar niet langer dan vijf jaar (artikel 3:319 BW). Welke handelingen de verjaring stuiten, staat in artikel 3:316 tot en met 3:318 BW.
Wat is een stuitingshandeling?
Een handeling die de verjaring stuit: een eis of andere daad van rechtsvervolging, zoals een dagvaarding (artikel 3:316 BW), of een schriftelijke aanmaning of mededeling waarin je je recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Ook een erkenning door de schuldenaar stuit de verjaring (artikel 3:318 BW). Voor andere rechtsvorderingen dan nakoming moet een aanmaning binnen zes maanden worden gevolgd door een stuitingshandeling van artikel 3:316 BW (artikel 3:317 lid 2 BW).
Hoe lang is de verjaringstermijn na stuiting?
Even lang als de oorspronkelijke termijn, maar niet langer dan vijf jaar. De nieuwe termijn begint op de dag na de stuiting, en de verjaring treedt nooit eerder in dan bij de oorspronkelijke termijn (artikel 3:319 BW). Stuit je met een eis die wordt toegewezen, dan geldt de termijn voor de tenuitvoerlegging van het vonnis (artikel 3:324 BW).
Wanneer verjaart een vordering uit onrechtmatige daad?
Vijf jaar na de aanvang van de dag na die waarop je zowel met de schade als met de aansprakelijke persoon bekend bent geworden, en in ieder geval twintig jaar na de gebeurtenis die de schade veroorzaakte (artikel 3:310 lid 1 BW). Voor milieuschade en enkele andere gevallen geldt dertig jaar (lid 2), en bij letsel- en overlijdensschade geldt de termijn van twintig jaar niet (lid 5). Je kunt de verjaring stuiten met een schriftelijke aanmaning of mededeling (artikel 3:317 lid 1 BW).
Verjaren schulden van een bv na een faillissement?
Voor een vordering die voldoening uit de boedel beoogt, loopt een termijn die tijdens het faillissement of binnen zes maanden daarna zou aflopen, door tot zes maanden na het einde van het faillissement (artikel 36 lid 1 en artikel 26 Faillissementswet). Is de bv daarna opgehouden te bestaan, dan verjaart de vordering niet zolang de vereffening niet is heropend, en hoef je in die periode niet te stuiten (HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1182). Na een heropening loopt de termijn door tot zes maanden na die heropening (artikel 2:23c lid 2 BW en 3:320 BW).
Primaire bronnen
- Burgerlijk Wetboek Boek 2: artikelen 2:19 en 2:23c
- Burgerlijk Wetboek Boek 3: artikelen 3:37, 3:306, 3:307, 3:310, 3:316, 3:317, 3:318, 3:319, 3:320, 3:321 en 3:324
- Burgerlijk Wetboek Boek 6: artikelen 6:175 en 6:177
- Burgerlijk Wetboek Boek 7: artikel 7:853
- Faillissementswet: artikelen 26 en 36
- HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1182 (r.o. 3.1, 3.3.2 en 3.3.3)
- HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:766 (r.o. 3.6.2 en 3.8)
Hulp nodig bij verjaring of stuiting?
De advocaten van MAAK Advocaten adviseren over verjaring en stuiting, kennen de valkuilen en stellen waar nodig brieven op die de verjaring van je vordering stuiten. Bij geschillen over verjaring behartigen we je belangen. Wil je overleggen met een van onze advocaten, neem dan gerust contact met ons op.
Wat kan ons advocatenkantoor betekenen bij verjaring?
Twijfel je of je vordering nog opeisbaar is, of wil je voorkomen dat een vordering verjaart? Neem contact op met ons advocatenkantoor in Amsterdam. Wij staan schuldeisers, leveranciers en opdrachtgevers bij die een openstaande vordering veilig willen stellen. Stuiten lijkt eenvoudig, maar een aanmaning die te vaag is, stuit niet. Een brief die de schuldenaar niet bereikt, bijvoorbeeld omdat hij naar een verkeerd adres ging, stuit in beginsel evenmin. Dat is anders als het niet bereiken het gevolg is van de eigen handeling van de schuldenaar, van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt (art. 3:37 lid 3 BW). Betwist de schuldenaar de ontvangst, dan moet je die kunnen aantonen.
Wij beoordelen welke termijn op je vordering van toepassing is en vanaf welk moment die is gaan lopen. Dat verschilt per grondslag, en juist over dat aanvangsmoment ontstaat in procedures de meeste discussie. Vervolgens stellen wij een stuitingsbrief op die ondubbelzinnig aangeeft dat je je recht op nakoming voorbehoudt, en zorgen wij dat verzending en ontvangst bewijsbaar zijn.
Beroept je wederpartij zich al op verjaring, dan onderzoeken wij of dat verweer standhoudt. Soms is de termijn eerder gestuit dan partijen zich realiseren, bijvoorbeeld door een erkenning van de schuld (art. 3:318 BW). Of een deelbetaling of een uitlating tijdens onderhandelingen zo’n erkenning is, hangt af van de omstandigheden. Onze procesadvocaten voeren dat verweer voor je.
Daarnaast helpen wij je debiteurenbeheer zo in te richten dat je verjaring tijdig ziet aankomen: vaste bewaartermijnen, tijdige stuiting en heldere afspraken in je algemene voorwaarden over termijnen en klachtplicht.
Wil je weten of je vordering nog afdwingbaar is? Neem contact op met ons advocatenkantoor in Amsterdam voor een gesprek met een van onze advocaten.