Een faillissement begint met een vonnis van de rechtbank, op eigen aangifte van de schuldenaar of op verzoek van een schuldeiser (artikel 1 Faillissementswet). De rechtbank spreekt het uit als summierlijk blijkt dat de schuldenaar is opgehouden te betalen (artikel 6 lid 3 Fw). Een curator beheert en verkoopt het vermogen en verdeelt de opbrengst over de schuldeisers volgens de wettelijke rangorde.
De Faillissementswet (Fw) regelt de hele procedure, van aanvraag tot beëindiging. Schuldeisers kunnen via deze route verhaal zoeken als onderhandelingen mislukken. De rechtbank stelt vast of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, voordat zij het faillissement uitspreekt.
Wat zijn de voorwaarden voor een faillissementsaanvraag?
De rechtbank verklaart een schuldenaar failliet als summierlijk blijkt van feiten of omstandigheden waaruit volgt dat hij heeft opgehouden te betalen. Doet een schuldeiser het verzoek, dan moet ook zijn vordering summierlijk blijken (artikel 6 lid 3 van de faillissementswet). Dat moet duidelijk uit de faillissementsaanvraag naar voren komen. Volgens vaste rechtspraak moeten er bovendien meer schuldeisers zijn.
Als schuldeiser hoef je je vordering niet volledig te bewijzen; het is genoeg dat zij summierlijk blijkt. Een vordering die gemotiveerd wordt betwist en uitgebreid onderzoek vergt, hoort in een gewone procedure thuis. De vordering van een andere schuldeiser, de steunvordering, hoeft niet opeisbaar te zijn en de omvang ervan hoeft niet vast te staan. Meer schuldeisers is wel noodzakelijk, maar niet voldoende: de rechter onderzoekt steeds of de schuldenaar echt is opgehouden te betalen (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681).
Vereisten voor een geldige aanvraag:
- Summierlijk blijkt dat de schuldenaar is opgehouden te betalen
- Ten minste twee schuldeisers (de aanvrager en een steunvordering)
- Een vordering van de aanvrager die summierlijk blijkt
- Een verzoek van een schuldeiser wordt ingediend door een advocaat (artikel 5 lid 1 Fw)
Ontbreekt een van deze elementen, dan wijst de rechter het verzoek af. Als schuldenaar kun je je verweren door te laten zien dat je niet bent opgehouden te betalen, bijvoorbeeld omdat je je schulden alsnog betaalt, of door de vordering gemotiveerd te betwisten.
Hoe verloopt de aanvraagprocedure bij de rechtbank?
Zowel de schuldenaar zelf als schuldeisers kunnen een faillissement aanvragen. Voor het eigen faillissement gebruikt de schuldenaar het formulier Eigen aangifte faillissement, of hij laat een advocaat een verzoekschrift indienen (Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, geldend vanaf 1 juli 2026, art. 2.2.2.1). Hij dient het in bij de rechtbank van zijn woonplaats (artikel 2 lid 1 Fw). Voor een eigen aangifte betaal je geen griffierecht (artikel 4 lid 2 onder i Wet griffierechten burgerlijke zaken). De advocaatplicht van artikel 5 lid 1 Fw geldt alleen voor verzoeken en niet voor een eigen aangifte.
De rechtbank behandelt de aanvraag met de meeste spoed in raadkamer, dus niet in een openbare zitting (artikel 4 lid 1 Fw). Bij een verzoek van een schuldeiser kan zij de schuldenaar oproepen om gehoord te worden (artikel 6 lid 1 Fw). Tot de uitspraak heb je als schuldenaar verschillende mogelijkheden om het faillissement af te wenden. Je kunt betalingsafspraken maken met de aanvrager, zodat die zijn verzoek intrekt. Oefen je een zelfstandig beroep of bedrijf uit, dan kun je ook surseance van betaling aanvragen (artikel 214 Fw). Een definitieve surseance duurt ten hoogste anderhalf jaar en kan worden verlengd (artikel 223 Fw).
Natuurlijke personen kunnen toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vragen (artikel 284 Fw). Bij een faillissementsverzoek tegen een natuurlijk persoon laat de griffier weten dat dit binnen veertien dagen kan (artikel 3 Fw). Het Wsnp-verzoek wordt dan eerst behandeld; spreekt de rechtbank de definitieve toepassing uit, dan vervalt het faillissementsverzoek (artikel 3a Fw). De schuldenaar kan schriftelijk verweer voeren met een verweerschrift, of mondeling op de zitting, in persoon of via een gevolmachtigde. Een rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door een bestuurder, een andere daartoe in de statuten aangewezen persoon of een gevolmachtigde (artikel 6 lid 1 Fw; procesreglement insolventiezaken rechtbanken, art. 2.1.3 en 2.1.3.2).
De rechter beoordeelt:
- Betalingsonmacht van de schuldenaar
- Of de vordering van de aanvrager summierlijk blijkt (artikel 6 lid 3 Fw)
- Aanwezigheid van meerdere schuldeisers
- Eventuele verweren of alternatieve oplossingen
In het vonnis van faillietverklaring benoemt de rechtbank een rechter-commissaris en stelt zij een curator aan (artikel 14 lid 1 Fw). De schuldenaar verliest van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn vermogen dat tot het faillissement behoort (artikel 23 Fw). Het faillissement wordt ingeschreven in het openbare centraal insolventieregister (artikel 19 Fw) en wordt ook in het handelsregister van de KVK opgenomen als de schuldenaar daarin staat ingeschreven (artikel 39 onder a Handelsregisterbesluit 2008).
Welke rol vervult de curator tijdens het faillissement?
De curator beheert het vermogen dat tot het faillissement behoort en probeert zoveel mogelijk op te brengen voor de schuldeisers, door bezittingen te verkopen, contracten te beëindigen en vorderingen te innen. Het faillissement omvat het hele vermogen van de schuldenaar, ook wat hij tijdens het faillissement verwerft (artikel 20 Fw), met uitzondering van wat de wet buiten het faillissement laat (artikel 21 Fw).
De curator maakt zo spoedig mogelijk een beschrijving van de boedel (artikel 94 Fw) en onderzoekt de administratie om een volledig beeld te krijgen van de financiële situatie. De schuldenaar moet hem daarbij alle inlichtingen geven (artikel 105 Fw). De rechter-commissaris kan een afkoelingsperiode van ten hoogste twee maanden afkondigen, eenmaal te verlengen met ten hoogste twee maanden. In die periode kunnen derden alleen met zijn machtiging verhaal nemen op goederen van de boedel of goederen opeisen die bij de gefailleerde of de curator zijn (artikel 63a Fw).
De post van de gefailleerde gaat naar de curator. Die opent de brieven en geeft post die niet op de boedel betrekking heeft meteen door aan de gefailleerde (artikel 99 Fw). Zo gaat geen belangrijke financiële informatie verloren. Abonnementen en andere lopende kosten worden waar mogelijk beëindigd. Waardevolle bezittingen, zoals kunst, dure elektronica en voertuigen, worden verkocht: in het openbaar of, met toestemming van de rechter-commissaris, onderhands (artikel 176 Fw).
Wat buiten het faillissement blijft (artikel 21 Fw), onder meer:
- Kleding en de inboedel van de woning, voor zover niet bovenmatig (artikel 447 Rv)
- Zaken die je redelijkerwijs nodig hebt voor persoonlijke verzorging en dagelijkse levensbehoeften, en voor het verwerven van de noodzakelijke middelen van bestaan
- Het deel van je inkomen dat de rechter-commissaris buiten het faillissement laat
- Alimentatie die je ontvangt ter voldoening aan een wettelijke onderhoudsplicht
De rechter-commissaris houdt toezicht op het beheer en de vereffening van de boedel. Ben je het als gefailleerde of schuldeiser niet eens met een handeling van de curator, dan kun je met een verzoek bij de rechter-commissaris opkomen; die beslist binnen drie dagen (artikel 69 Fw).
Wil je zekerheid over je juridische positie bij een dreigend faillissement? Gespecialiseerde advocaten analyseren je situatie en adviseren over de beste strategie om je belangen te beschermen.
Wat gebeurt er met inkomen en vermogen van de schuldenaar?
Ook inkomen dat je tijdens het faillissement verwerft, valt in de boedel (artikel 20 Fw). Dat geldt voor loon, uitkeringen en inkomsten uit zelfstandige activiteiten. De rechter-commissaris bepaalt welk deel daarvan buiten het faillissement blijft voor je levensonderhoud, zoals huur, boodschappen en nutsvoorzieningen (artikel 21 onder 2° Fw).
Hoe hoog dat bedrag is, hangt af van je persoonlijke situatie, zoals je gezinssamenstelling en vaste lasten.
Door de faillietverklaring eindigen lopende executies en vervallen gelegde beslagen. Wordt het faillissement vernietigd of opgeheven, dan herleeft het beslag, als het goed dan nog tot de boedel behoort (artikel 33 Fw). Tijdens het faillissement kunnen schuldeisers hun vordering in beginsel alleen geldend maken door haar bij de curator in te dienen ter verificatie. Pand- en hypotheekhouders zijn een uitzondering: zij kunnen hun recht uitoefenen alsof er geen faillissement was (artikel 57 lid 1 Fw), behalve tijdens een afkoelingsperiode.
Vermogensbestanddelen die de curator verwerft:
- Banktegoeden en spaarrekeningen
- Onroerend goed en voertuigen
- Aandelen en beleggingen
- Waardevolle roerende zaken
- Vorderingen op derden
Echtgenoten of geregistreerd partners worden niet automatisch failliet verklaard. Ben je in gemeenschap van goederen getrouwd of geregistreerd partner, dan wordt het faillissement behandeld als faillissement van de gemeenschap en vallen alle goederen van de gemeenschap in de boedel (artikel 63 lid 1 Fw). Partners in een huwelijk met huwelijkse voorwaarden behouden hun eigen vermogen buiten het faillissement. Heeft een partner zich borg gesteld, dan kan de schuldeiser hem wel zelf aanspreken; dat staat los van het faillissement.
Hoe verloopt de verificatiefase en schuldenvaststelling?
De curator controleert de ingediende vorderingen en zet ze op een lijst van voorlopig erkende of een lijst van betwiste vorderingen (artikel 112 Fw). Tijdens de verificatievergadering kunnen schuldeisers vorderingen van anderen betwisten (artikel 119 Fw). Een vordering die niet wordt betwist, is daarmee erkend (artikel 121 Fw).
De curator laat alle bekende schuldeisers schriftelijk weten wanneer de vergadering is en tot wanneer zij hun vordering kunnen indienen (artikel 109 Fw). Je dient je vordering in met een rekening of andere schriftelijke verklaring met de aard en het bedrag, met bewijsstukken zoals facturen of contracten (artikel 110 lid 1 Fw). Kan de rechter-commissaris een betwisting niet schikken, dan verwijst hij partijen naar de rechtbank (artikel 122 Fw). Is aannemelijk dat er voor concurrente schuldeisers niets overblijft, dan kan de rechter-commissaris bepalen dat er geen verificatievergadering komt (artikel 137a Fw).
Tijdens de verificatie ontstaat vaak discussie over de rangorde van vorderingen. Uitgangspunt is dat schuldeisers gelijk worden behandeld, behalve als de wet voorrang geeft, zoals bij pand, hypotheek en voorrecht (artikel 3:277 en 3:278 BW). Eerst komen de kosten van het faillissement, zoals het salaris van de curator. Ook loon en premies vanaf de dag van de faillietverklaring zijn boedelschuld (artikel 40 lid 2 Fw). Daarna volgen bevoorrechte schuldeisers, zoals de Belastingdienst.
Vereenvoudigde rangorde in de boedel:
- Boedelschulden, zoals de kosten van het faillissement, het salaris van de curator en loon vanaf de faillietverklaring
- De Belastingdienst, waarvan het voorrecht boven alle andere voorrechten gaat, behalve die van artikel 3:287 en 3:288 onder a BW en, voor kosten gemaakt na de dagtekening van het aanslagbiljet, artikel 3:284 BW (artikel 21 lid 2 Invorderingswet 1990)
- Andere bevoorrechte vorderingen, zoals loon van werknemers over het lopende en voorafgaande kalenderjaar (artikel 3:288 onder e BW)
- Concurrente schuldeisers (gewone handelscrediteuren)
Pand- en hypotheekhouders (separatisten) kunnen hun zekerheid in beginsel uitwinnen alsof er geen faillissement was (artikel 57 lid 1 Fw), behalve tijdens een afkoelingsperiode (artikel 63a Fw). Op bodemzaken gaat het voorrecht van de fiscus wel boven pand. Bodemzaken zijn vruchten en roerende zaken tot stoffering van een huis of landhoef of tot bebouwing of gebruik van het land, die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden. Dit geldt alleen voor de belastingschulden die artikel 22 lid 3 Invorderingswet 1990 noemt, zoals naheffingsaanslagen loonbelasting en omzetbelasting (artikel 21 lid 2 Invorderingswet 1990).
Concurrente schuldeisers ontvangen een evenredig deel van de resterende opbrengst. Na de verificatie maakt de curator een uitdelingslijst, ter goedkeuring van de rechter-commissaris (artikel 180 lid 1 Fw).
Wanneer en hoe eindigt een faillissementsprocedure?
Een faillissement eindigt op verschillende manieren afhankelijk van de omstandigheden. De meest voorkomende scenario’s zijn opheffing wegens gebrek aan baten, een faillissementsakkoord of voltooiing van de vereffening.
Opheffing wegens gebrek aan baten volgt als er niet genoeg baten zijn om de faillissementskosten en de andere boedelschulden te betalen. De rechtbank beveelt de opheffing op voordracht van de rechter-commissaris (artikel 16 Fw). Bij een natuurlijk persoon blijven de onbetaalde schulden bestaan en kunnen schuldeisers weer zelf verhaal nemen; gelegde beslagen herleven (artikel 33 lid 2 Fw). Een rechtspersoon, zoals een bv, wordt door de opheffing ontbonden en houdt op te bestaan als er geen baten meer zijn (artikel 2:19 lid 1 onder c en lid 4 BW).
Een faillissementsakkoord ontstaat als de gefailleerde zijn schuldeisers aanbiedt een percentage van hun vorderingen te betalen (artikel 138 Fw). Schuldeisers stemmen hierover tijdens de verificatievergadering. Nodig is de gewone meerderheid van de ter vergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers, die samen ten minste de helft van het bedrag van alle erkende en voorwaardelijk toegelaten concurrente vorderingen vertegenwoordigen (artikel 145 Fw). Is de homologatie onherroepelijk, dan is het akkoord bindend voor alle concurrente schuldeisers (artikel 157 Fw) en eindigt het faillissement (artikel 161 Fw).
Bij voltooiing van de vereffening heeft de curator alle bezittingen verkocht en schuldeisers zoveel mogelijk uitbetaald volgens de rangorde. Hij maakt een eindafrekening en uitdelingslijst. De uitdelingslijst ligt tien dagen ter griffie; in die tijd kunnen schuldeisers in verzet komen (artikel 183 en 184 Fw). Zodra de slotuitdelingslijst verbindend is, eindigt het faillissement (artikel 193 Fw). Niet-betaalde schulden blijven bestaan: schuldeisers kunnen weer verhaal nemen op de goederen van de schuldenaar (artikel 195 Fw).
De vierde mogelijkheid is omzetting naar Wsnp. Een gefailleerde natuurlijke persoon kan de rechtbank vragen het faillissement op te heffen en tegelijk de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Dat kan totdat de verificatievergadering is gehouden of, als die achterwege blijft, totdat de rechter-commissaris de beschikking van artikel 137a Fw heeft gegeven, en alleen als het faillissement op eigen aangifte is uitgesproken of als de schuldenaar niet te verwijten is dat hij niet eerder om schuldsanering heeft gevraagd (artikel 15b Fw). De schuldsanering duurt anderhalf jaar; de rechter kan haar bij de uitspraak op ten hoogste drieënhalf jaar stellen en de rechter-commissaris kan haar later verlengen tot ten hoogste vijf jaar (artikel 349a lid 1 Fw). Rond je de regeling goed af, dan zijn de onbetaalde vorderingen waarvoor de regeling werkt niet langer afdwingbaar; voor onder meer bepaalde strafrechtelijke boetes geldt dat niet (artikel 358 Fw).
Wat zijn de gevolgen voor verschillende rechtsvormen?
De aansprakelijkheid na faillissement hangt volledig af van de rechtsvorm van de onderneming. Ondernemers met een rechtspersoon zoals een BV of NV zijn in principe niet persoonlijk aansprakelijk. Hun privévermogen blijft buiten de faillissementsboedel, tenzij sprake is van wanbestuur of persoonlijke borgstellingen.
Wanbestuur doet zich voor wanneer het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Iedere bestuurder is dan jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort (artikel 2:248 lid 1 BW). Heeft het bestuur de boekhoudplicht of de plicht tot publicatie van de jaarrekening niet nageleefd, dan staat de onbehoorlijke taakvervulling vast en wordt vermoed dat die een belangrijke oorzaak van het faillissement is; een onbelangrijk verzuim telt niet mee (artikel 2:248 lid 2 BW). Ook doorgaan met handelen terwijl het faillissement onvermijdelijk was, kan wanbestuur opleveren. De curator kan bestuurders dan persoonlijk aansprakelijk stellen.
Bij een eenmanszaak is er geen scheiding tussen privé en zakelijk. Het faillissement omvat zowel de bedrijfsmiddelen als de privébezittingen van de ondernemer (artikel 20 Fw). De woning, privévoertuigen en persoonlijke spullen kunnen worden verkocht om schuldeisers te betalen, met uitzondering van wat buiten het faillissement blijft (artikel 21 Fw). Vennoten van een vennootschap onder firma (vof) zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vof (artikel 18 Wetboek van Koophandel). Schuldeisers kunnen hen dus ook privé aanspreken.
Maatschappen kennen in beginsel geen hoofdelijke aansprakelijkheid; die kan wel volgen uit een afspraak of uit de wet. De maten zijn niet ieder voor het geheel aansprakelijk (artikel 7A:1679 BW); een schuldeiser kan elke maat met wie hij heeft gehandeld aanspreken voor een gelijk deel, tenzij bij het aangaan van de schuld uitdrukkelijk een verdeling naar evenredigheid van de aandelen is afgesproken (artikel 7A:1680 BW). Als één maat failliet gaat, betekent dit niet automatisch dat de andere maten ook failliet zijn.
Commanditaire vennootschappen (cv) kennen beherende vennoten en commanditaire vennoten. Beherende vennoten zijn volledig aansprakelijk. Een commanditaire vennoot draagt in de schade niet verder dan zijn inbreng (artikel 20 lid 3 WvK), maar wordt hoofdelijk aansprakelijk als hij daden van beheer verricht of zijn naam in de firma laat gebruiken (artikel 21 WvK).
Neem contact op met een gespecialiseerde advocaat voor persoonlijk juridisch advies over je specifieke situatie en bescherming van je vermogen bij financiële problemen.
Welke mogelijkheden bestaan er om faillissement te voorkomen?
Ondernemers met betalingsproblemen kunnen verschillende juridische routes bewandelen voordat het tot een faillissement komt. Surseance van betaling is bedoeld voor een schuldenaar die voorziet dat hij zijn opeisbare schulden niet zal kunnen blijven betalen (artikel 214 Fw). Een definitieve surseance duurt ten hoogste anderhalf jaar en kan worden verlengd (artikel 223 Fw). De rechtbank benoemt een bewindvoerder, die samen met de ondernemer het beheer voert; zonder zijn medewerking kan de ondernemer niet over de boedel beschikken (artikel 228 lid 1 Fw).
Tijdens de surseance kan de ondernemer niet worden gedwongen zijn gewone schulden te betalen, en lopende executies worden geschorst. Gelegde beslagen vervallen zodra de definitieve surseance onherroepelijk is (artikel 230 Fw). Dit geldt niet voor schuldeisers met voorrang, zoals pand- en hypotheekhouders, voor zover zij zich kunnen verhalen op de goederen waarop hun voorrang rust (artikel 232 Fw). Zo krijgt de ondernemer rust om een saneringsplan op te stellen. Lukt dat niet, dan kan alsnog een faillissement volgen.
De Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) bestaat sinds 2021 (artikel 369 e.v. Fw). Een ondernemer die in een toestand verkeert waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat hij zijn schulden niet zal kunnen blijven betalen, kan zijn schuldeisers en aandeelhouders een akkoord aanbieden, bijvoorbeeld over kwijtschelding of betalingsuitstel (artikel 370 lid 1 Fw). Belangrijk voordeel: niet alle schuldeisers hoeven akkoord te gaan.
Heeft ten minste één klasse van schuldeisers ingestemd, dan kan de rechtbank worden gevraagd het akkoord te homologeren. Raakt het akkoord schuldeisers die bij een faillissement naar verwachting (gedeeltelijk) betaald zouden worden, dan moet het gaan om een klasse van die schuldeisers (artikel 383 lid 1 Fw). De rechtbank homologeert, tenzij een wettelijke afwijzingsgrond zich voordoet (artikel 384 Fw). Het gehomologeerde akkoord bindt alle stemgerechtigde schuldeisers, ook wie tegen heeft gestemd (artikel 385 Fw). Zo kan één dwarsliggende schuldeiser het saneringstraject niet blokkeren.
Schuldsanering via de Wsnp staat open voor natuurlijke personen die redelijkerwijs niet kunnen blijven betalen (artikel 284 Fw). De regeling duurt anderhalf jaar; bij de uitspraak kan de rechter haar op ten hoogste drieënhalf jaar stellen, en de rechter-commissaris kan haar verlengen tot ten hoogste vijf jaar (artikel 349a lid 1 en 2 Fw). Daarna zijn de onbetaalde vorderingen waarvoor de regeling werkt niet langer afdwingbaar, op enkele uitzonderingen na (artikel 358 Fw). Het verschil met faillissement is belangrijk: na een faillissement zonder akkoord blijven de schulden bestaan (artikel 195 Fw).
Ondernemers kunnen zich al voor faillietverklaring voorbereiden op een mogelijke doorstart. De curator kan activa verkopen aan een doorstartende onderneming, vaak opgericht door dezelfde ondernemer. De onderneming kan zo blijven draaien, terwijl oude schulden in de failliete entiteit achterblijven. Werknemers gaan bij een doorstart uit faillissement niet automatisch mee: de regels over overgang van onderneming gelden dan niet (artikel 7:666 BW). De doorstarter beslist zelf wie hij in dienst neemt.
Hoe werkt hoger beroep tegen een faillietverklaring?
Ben je als schuldenaar gehoord voordat je failliet werd verklaard, dan kun je binnen acht dagen na de dag van de uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof (artikel 8 lid 1 Fw). Dat verzoek moet een advocaat indienen (artikel 5 lid 1 Fw).
De termijn begint te lopen op de dag na de uitspraak. Je moet daarom snel handelen als je het niet eens bent met het faillissement. Het gerechtshof beoordeelt opnieuw of aan de voorwaarden voor faillietverklaring is voldaan.
Verzet is het rechtsmiddel voor een schuldenaar die niet is gehoord. Hij heeft daarvoor veertien dagen na de dag van de uitspraak, en een maand als hij zich tijdens de uitspraak niet in het Europese deel van Nederland bevindt (artikel 8 lid 2 Fw). Andere schuldeisers dan de aanvrager en andere belanghebbenden kunnen binnen acht dagen verzet doen (artikel 10 Fw). De rechtbank plant dan een nieuwe behandeling waarin de schuldenaar zijn standpunt kan toelichten.
Tijdens hoger beroep of verzet loopt het faillissement gewoon door: het vonnis is direct uitvoerbaar (artikel 4 lid 5 Fw). De curator mag de boedel beheren, maar zonder toestemming van de schuldenaar niet tot vereffening overgaan zolang het rechtsmiddel loopt (artikel 13 lid 2 Fw). Handelingen die de curator heeft verricht, blijven geldig als het faillissement later wordt vernietigd (artikel 13 lid 1 Fw).
Het is verstandig om de curator direct te informeren over het hoger beroep of verzet. Hij kan dan rekening houden met de mogelijkheid dat het gerechtshof het faillissement vernietigt.
Veelgestelde vragen over de faillissementsprocedure
Wie kan een faillissement aanvragen?
De schuldenaar zelf (eigen aangifte), een of meer schuldeisers, en om redenen van openbaar belang het Openbaar Ministerie (artikel 1 Fw). Een schuldeiser heeft daarvoor een advocaat nodig (artikel 5 lid 1 Fw).
Wanneer spreekt de rechtbank een faillissement uit?
Als summierlijk blijkt dat de schuldenaar is opgehouden te betalen en, bij een verzoek van een schuldeiser, dat diens vordering bestaat (artikel 6 lid 3 Fw). Volgens vaste rechtspraak moeten er ook meer schuldeisers zijn (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681).
Wat gebeurt er met beslagen bij een faillissement?
Lopende executies eindigen en gelegde beslagen vervallen (artikel 33 Fw). Pand- en hypotheekhouders kunnen hun recht uitoefenen alsof er geen faillissement was (artikel 57 lid 1 Fw), behalve tijdens een afkoelingsperiode van ten hoogste twee maanden, eenmaal te verlengen (artikel 63a Fw).
Hoe lang heb je om in hoger beroep te gaan tegen een faillietverklaring?
Acht dagen na de dag van de uitspraak als je als schuldenaar bent gehoord (artikel 8 lid 1 Fw). Ben je niet gehoord, dan kun je binnen veertien dagen verzet doen (artikel 8 lid 2 Fw). Andere schuldeisers en belanghebbenden hebben acht dagen voor verzet (artikel 10 Fw).
Ben je na een faillissement van je schulden af?
Nee, niet vanzelf. Na een faillissement zonder akkoord blijven onbetaalde schulden bestaan en kunnen schuldeisers weer verhaal nemen (artikel 195 Fw). Anders is dat bij een gehomologeerd akkoord, dat bindend is voor alle concurrente schuldeisers (artikel 157 Fw), en bij een goed afgeronde schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen: dan zijn de onbetaalde vorderingen waarvoor de regeling werkt niet langer afdwingbaar (artikel 358 Fw).
Primaire bronnen
- Faillissementswet: artikel 1, 2, 3, 3a, 4, 5, 6, 8, 10, 13, 14, 15b, 16, 19, 20, 21, 23, 33, 40, 57, 63, 63a, 69, 94, 99, 105, 109, 110, 112, 119, 121, 122, 137a, 138, 145, 157, 161, 176, 180, 183, 184, 193, 195, 214, 223, 228, 230, 232, 284, 349a, 358, 369, 370, 383, 384 en 385
- Burgerlijk Wetboek: artikel 2:19, 2:248, 3:277, 3:278, 3:288, 7:666, 7A:1679 en 7A:1680
- Wetboek van Koophandel: artikel 18, 20 en 21
- Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: artikel 447
- Wet griffierechten burgerlijke zaken, artikel 4
- Invorderingswet 1990, artikel 21
- HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681 (pluraliteitsvereiste en steunvordering)