Een bestuurder is in de regel pas persoonlijk aansprakelijk als hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Tegenover de vennootschap volgt dat uit zijn plicht tot behoorlijk bestuur (artikel 2:9 BW), tegenover schuldeisers uit de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Bij faillissement kan de curator hem aanspreken voor het tekort als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is (artikel 2:248 BW). Onze advocaat voor bestuurdersaansprakelijkheid gaat nader in op deze persoonlijke aansprakelijkheid.
Het Nederlands recht kent als uitgangspunt dat rechtspersonen zelf aansprakelijk zijn voor hun handelingen. Daarom draagt een BV of NV juridisch gezien de verantwoordelijkheid voor overeenkomsten en verplichtingen. Echter, onder specifieke omstandigheden doorbreekt de wet dit uitgangspunt. Bestuurders kunnen dan privé worden aangesproken voor schade die ontstaat door hun handelen of nalaten. Voor deze persoonlijke aansprakelijkheid geldt in de regel een hoge drempel: het ernstige verwijt. Er zijn uitzonderingen. Zo is iedere bestuurder naast de BV hoofdelijk aansprakelijk voor rechtshandelingen die tijdens zijn bestuur zijn verricht en de BV verbinden in de periode voordat de opgave tot eerste inschrijving in het handelsregister (met de neer te leggen afschriften) is gedaan (artikel 2:180 lid 2 BW).
Wat zijn de twee hoofdvormen van bestuurdersaansprakelijkheid?
Nederlandse wetgeving onderscheidt interne aansprakelijkheid tegenover de vennootschap (artikel 2:9 BW) en externe aansprakelijkheid tegenover derden zoals schuldeisers (artikel 6:162 BW). Beide vormen hanteren dezelfde strenge maatstaf van een persoonlijk ernstig verwijt aan de bestuurder.
Bij interne aansprakelijkheid houdt de rechtspersoon zelf de bestuurder verantwoordelijk. De vennootschap vordert schadevergoeding wanneer een bestuurder zijn taak niet behoorlijk heeft uitgevoerd. Artikel 2:9 lid 1 BW verplicht iedere bestuurder tegenover de rechtspersoon tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken en is voor het geheel aansprakelijk voor onbehoorlijk bestuur, tenzij hem, mede gelet op de taakverdeling, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen af te wenden (artikel 2:9 lid 2 BW). Is de vennootschap failliet verklaard, dan kan ook de curator deze grondslag gebruiken (artikel 2:248 lid 8 BW). Daarnaast heeft de curator de specifieke faillissementsaansprakelijkheid van artikel 2:248 BW.
Externe aansprakelijkheid betekent dat derden de bestuurder aanspreken. Schuldeisers, leveranciers of andere partijen kunnen de bestuurder privé aansprakelijk stellen via artikel 6:162 BW. Uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is als zij tekortschiet of onrechtmatig handelt. Onder bijzondere omstandigheden is daarnaast ruimte voor aansprakelijkheid van de bestuurder, namelijk als hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, Hezemans Air).
Welke maatstaf geldt voor bestuurdersaansprakelijkheid?
De rechtspraak hanteert consequent de maatstaf van het ernstig verwijt. Deze norm stamt uit het arrest Staleman/Van de Ven van de Hoge Raad (HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243). Daarbij wegen rechters alle omstandigheden van het concrete geval mee. Relevante factoren zijn bijvoorbeeld de aard van de activiteiten, de informatie waarover de bestuurder beschikte en het inzicht dat we van een zorgvuldige bestuurder mogen verwachten.
Deze drempel ligt aanzienlijk hoger dan bij een gewone onrechtmatige daad. Een bestuurder heeft namelijk ruimte nodig om risico’s te nemen, anders kan hij niet ondernemen. Bovendien blijkt achteraf vaak dat beslissingen verkeerd zijn uitgepakt. Dat maakt het handelen van de bestuurder nog niet onrechtmatig. Persoonlijke aansprakelijkheid wordt daarom niet snel aangenomen.
Bepaalde omstandigheden wegen zwaarder dan andere. Handelt een bestuurder in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, dan is dat een zwaarwegende omstandigheid die in beginsel zijn aansprakelijkheid vestigt (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011, Berghuizer Papierfabriek). Voert de bestuurder feiten en omstandigheden aan waaruit kan volgen dat dit handelen hem toch geen ernstig verwijt oplevert, dan moet de rechter die uitdrukkelijk in zijn oordeel betrekken.
Hoe werkt externe aansprakelijkheid bij schuldeisers?
Externe aansprakelijkheid kent twee hoofdcategorieën: onverantwoorde voortzetting waarbij nieuwe verplichtingen worden aangegaan terwijl de vennootschap deze niet kan nakomen, en frustratie van verhaal waarbij de bestuurder bewerkstelligt of toelaat dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen speelt een belangrijke rol wat de bestuurder wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen.
Onverantwoorde voortzetting doet zich voor wanneer een bestuurder namens de vennootschap verplichtingen aangaat terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap die niet zou kunnen nakomen én geen verhaal zou bieden. Hij is dan aansprakelijk, tenzij hij omstandigheden aanvoert waaruit volgt dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt treft. Dit Beklamel-criterium komt uit HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 en is herhaald in HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627. Belangrijk is het punt waarop het onverantwoord wordt de onderneming te continueren en verdere verbintenissen aan te gaan. Vóór dat punt is het aangaan van nieuwe verplichtingen in de regel niet onrechtmatig. Voorbij dat punt bevindt hij zich in de gevarenzone.
Een negatief eigen vermogen vormt een sterke aanwijzing, maar rode cijfers zijn op zichzelf onvoldoende. Verlieslatende cijfers betekenen niet automatisch dat voortzetting onverantwoord was. Rechters beoordelen het handelen op het moment waarop de verplichting werd aangegaan, waarbij factoren als orderportefeuille, marktontwikkelingen, kasstromen en kredietmogelijkheden meewegen. Dit onderstreept dat aan persoonlijke aansprakelijkheid zware eisen worden gesteld.
Frustratie van verhaal doet zich voor wanneer een bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Hij is aansprakelijk als zijn handelen of nalaten zo onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan kan in ieder geval sprake zijn als hij wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de vennootschap daardoor haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen). Voorbeelden uit de praktijk zijn het onttrekken van vermogen aan de onderneming of het bevoordelen van gelieerde partijen, zoals managementfees aan de moedervennootschap, terwijl andere schuldeisers onbetaald blijven. Niet elke selectieve betaling is onrechtmatig; dat hangt af van de omstandigheden van het geval.
Ook het onbenut laten van evidente mogelijkheden om de financiële positie te verbeteren, zoals het laten liggen van een forse openstaande vordering terwijl de vennootschap in zwaar weer verkeert, kan meewegen bij de vraag of de bestuurder een ernstig verwijt treft.
Wat gebeurt bij een rechtspersoon als bestuurder?
Bestuurders proberen soms aansprakelijkheid te vermijden door een BV tussen te schuiven als formele bestuurder. Deze constructie biedt echter geen bescherming. Artikel 2:11 BW bepaalt namelijk dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van die aansprakelijkheid bestuurder van die rechtspersoon is.
Wanneer de rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is, deelt de natuurlijke bestuurder daarvan hoofdelijk in deze aansprakelijkheid. Een bestuurder kan zich dus niet verstoppen achter een vennootschapsstructuur. Gaat het om aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, dan hoeft de schuldeiser niet te bewijzen dat ook de bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft. Die bestuurder kan aansprakelijkheid wel voorkomen door te stellen en zo nodig te bewijzen dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275).
Welke rol speelt faillissementsaansprakelijkheid?
Bij faillissement is iedere bestuurder tegenover de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is (artikel 2:138 BW voor de NV, artikel 2:248 BW voor de BV). Alleen onbehoorlijke taakvervulling in de drie jaar vóór het faillissement telt mee (artikel 2:248 lid 6 BW). Heeft het bestuur de administratieplicht of de plicht tot openbaarmaking van de jaarrekening geschonden, dan staat vast dat het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is (artikel 2:248 lid 2 BW).
De administratieplicht staat in artikel 2:10 BW: het bestuur moet een administratie voeren waaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. De plicht om de jaarrekening openbaar te maken staat in artikel 2:394 BW. Een onbelangrijk verzuim wordt niet meegeteld (artikel 2:248 lid 2 BW).
Staat de aansprakelijkheid vast, dan is iedere bestuurder in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort in de boedel: de schulden die niet uit de overige baten kunnen worden voldaan. De rechter kan dat bedrag verminderen als hij het bovenmatig vindt, gelet op de aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling, andere oorzaken van het faillissement en de manier waarop het is afgewikkeld (artikel 2:248 lid 4 BW). Het vermoeden dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is, kan de bestuurder ontzenuwen. Daarvoor volstaat dat hij aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Lukt dat, dan moet de curator aannemelijk maken dat de onbehoorlijke taakvervulling toch mede een belangrijke oorzaak was (HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099, r.o. 3.2). Daarnaast is een individuele bestuurder niet aansprakelijk als hij bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen af te wenden (artikel 2:248 lid 3 BW).
Voorbeeld (fictief): Een bestuurder van een handelsbedrijf sluit een leveringsovereenkomst van € 85.000, terwijl het eigen vermogen al € 120.000 negatief is en hij weet dat de vennootschap niet zal kunnen betalen. Ook maakt hij € 40.000 aan managementfees over naar zijn eigen holding, terwijl andere schuldeisers onbetaald blijven, en houdt hij de administratie niet op orde. De leverancier kan de bestuurder dan persoonlijk aanspreken op grond van onrechtmatige daad (het Beklamel-criterium). Gaat de vennootschap failliet, dan kan de curator hem aanspreken voor het boedeltekort: door de gebrekkige administratie staat onbehoorlijke taakvervulling vast en wordt vermoed dat die een belangrijke oorzaak van het faillissement is (artikel 2:248 lid 2 BW).
Hoe verschilt aansprakelijkheid van commissarissen?
Commissarissen kunnen eveneens persoonlijk aansprakelijk worden gesteld, zowel intern als extern. Artikel 2:9 en artikel 2:248 BW gelden ook voor de taakvervulling door de raad van commissarissen (artikel 2:259 BW; voor de NV artikel 2:149 BW). Ook bij commissarissen gaat het dus om een ernstig verwijt, maar dan van onbehoorlijk toezicht.
Commissarissen worden beoordeeld naar hun eigen taak: toezicht houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken, en het bestuur met raad terzijde staan (artikel 2:250 lid 2 BW). Zij besturen niet zelf. Voor persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen geldt in het algemeen een hoge drempel (HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:128).
In de zaak over Fairstar Heavy Transport N.V. oordeelde het Gerechtshof Amsterdam dat twee commissarissen van onbehoorlijk toezicht een ernstig verwijt viel te maken, omdat zij geen nader onderzoek deden naar verplichtingen die het bestuur was aangegaan voor de bouw van een schip (Hof Amsterdam 14 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1309). De Hoge Raad vernietigde dat arrest voor zover het hof de commissarissen ook tegenover een derde, de overnemende partij Dockwise, aansprakelijk had gehouden: dat oordeel was onvoldoende gemotiveerd, mede gelet op de hoge drempel voor persoonlijke aansprakelijkheid. De zaak is verwezen naar het gerechtshof Den Haag (HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:128).
Welke concrete situaties leiden tot aansprakelijkheid?
Verschillende scenario’s resulteren veelvuldig in persoonlijke aansprakelijkheid. Ten eerste het voeren van onverantwoord financieel beleid waarbij de bestuurder risico’s neemt die geen enkele redelijk handelend bestuurder zou accepteren. Bijvoorbeeld het aangaan van leningen zonder adequate zekerheid terwijl de solvabiliteit onder kritieke niveaus zakt.
Ten tweede handelen in strijd met statuten. Wanneer statutaire bepalingen de rechtspersoon beschermen en de bestuurder deze overtreedt, weegt dit zwaar in de beoordeling. Denk aan bestuursbesluiten die buiten de statutaire bevoegdheid vallen of transacties die goedkeuring van aandeelhouders vereisen maar deze niet krijgen.
Ten derde plegen van fraude of andere strafbare feiten. Verduistering van vennootschapsgeld, valsheid in geschrifte bij jaarrekeningen of opzettelijke misleiding van schuldeisers leiden in de regel tot aansprakelijkheid. De bestuurder handelt hiermee evident niet in het beste belang van de onderneming.
Ten vierde het creëren van onjuiste schijn van kredietwaardigheid. Wanneer een bestuurder aan derden een financieel gezonde positie voorspiegelt terwijl hij weet dat de onderneming technisch failliet is, maakt hij zich schuldig aan misleiding. Leveranciers die hierop vertrouwen en goederen leveren kunnen de bestuurder persoonlijk aanspreken voor de onbetaalde facturen.
Wil je zekerheid over je juridische positie als bestuurder? Gespecialiseerde advocaten in Amsterdam analyseren je situatie en adviseren over de beste strategie om persoonlijke aansprakelijkheid te voorkomen. Daarnaast beoordelen zij of je als schuldeiser een bestuurder succesvol kunt aanspreken.
Hoe voorkom je bestuurdersaansprakelijkheid?
Bestuurders kunnen verschillende maatregelen nemen om aansprakelijkheidsrisico’s te minimaliseren. Ten eerste: ga geen nieuwe verplichtingen meer aan wanneer je weet dat de rechtspersoon deze niet zal nakomen. Monitor consequent de liquiditeitspositie en kasstromen. Zodra blijkt dat betaling onzeker wordt, stop dan met het aangaan van verplichtingen.
Ten tweede: wees terughoudend met selectieve betalingen in het zicht van een faillissement. Niet elke selectieve betaling is onrechtmatig, maar betalingen aan jezelf of aan gelieerde partijen, zoals managementfees aan de moedervennootschap, terwijl andere schuldeisers onbetaald blijven, kunnen een persoonlijk ernstig verwijt opleveren.
Ten derde: frustreer geen verhaalsmogelijkheden van schuldeisers door vermogen te onttrekken. Houd vennootschapsgelden gescheiden van privévermogen. Onttrek geen liquide middelen, voorraden of andere activa aan de onderneming wanneer schuldeisers daarop verhaal kunnen nemen. Zulke onttrekkingen kunnen een persoonlijk ernstig verwijt opleveren.
Ten vierde: span je in om de financiële positie te verbeteren indien mogelijk. Bijvoorbeeld door openstaande debiteuren actief te innen, kredietfaciliteiten aan te trekken of verlieslatende activiteiten te beëindigen. Of je evidente mogelijkheden hebt laten liggen, kan meewegen bij de vraag of je een ernstig verwijt treft.
Ten vijfde: houd de administratie op orde volgens wettelijke voorschriften. Voer een administratie zoals artikel 2:10 BW voorschrijft en maak de jaarrekening tijdig openbaar (artikel 2:394 BW). Schiet je daarin tekort en gaat de vennootschap failliet, dan staat vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is (artikel 2:248 lid 2 BW).
Wat zijn veelvoorkomende misvattingen?
Een wijdverbreide misvatting is dat alleen bij faillissement aansprakelijkheid dreigt. Echter, ook tijdens reguliere bedrijfsvoering kunnen bestuurders aansprakelijk worden gesteld door de vennootschap of door derden. Artikel 2:9 BW geldt ongeacht de financiële situatie van de onderneming.
Een tweede misvatting betreft de bescherming via een rechtspersoon-bestuurder. Artikel 2:11 BW doorbreekt deze constructie expliciet. De natuurlijke persoon die bestuurder is van de rechtspersoon-bestuurder is in beginsel ook hoofdelijk aansprakelijk, tenzij hij zich kan disculpëren. Deze structuur biedt dus geen effectieve bescherming tegen persoonlijke aansprakelijkheid.
Een derde misvatting is dat negatief eigen vermogen automatisch leidt tot aansprakelijkheid. Hoewel rode cijfers een sterke aanwijzing vormen, beoordelen rechters alle omstandigheden. Factoren zoals orderportefeuille, marktontwikkelingen en kredietmogelijkheden wegen eveneens mee. Verliezen zijn inherent aan ondernemen en rechtvaardigen op zichzelf geen aansprakelijkheid.
Een vierde misvatting betreft de veronderstelling dat alleen de CEO aansprakelijk is. Volgens artikel 2:9 lid 2 BW draagt elke bestuurder verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Ook niet-uitvoerende bestuurders of leden van een directie kunnen persoonlijk worden aangesproken wanneer zij hun toezichthoudende taken niet behoorlijk vervullen.
Welke rol speelt de bewijslast?
Bij aansprakelijkheidsprocedures rust de bewijslast in eerste instantie op de eiser. De partij die de bestuurder aanspreekt, moet de feiten stellen en zo nodig bewijzen waaruit zijn aansprakelijkheid volgt: bij artikel 2:9 BW en onrechtmatige daad een persoonlijk ernstig verwijt, bij faillissement (artikel 2:248 BW) kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Bovendien moet er causaal verband zijn met de schade. In een aantal gevallen ligt het aan de bestuurder om omstandigheden aan te voeren die hem disculperen, zoals bij het Beklamel-criterium en bij artikel 2:11 BW.
Bij faillissementsaansprakelijkheid helpt de wet de curator wel. Heeft het bestuur de administratieplicht of de plicht tot openbaarmaking van de jaarrekening geschonden, dan staat vast dat het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is (artikel 2:248 lid 2 BW). De bestuurder kan dat vermoeden ontzenuwen door aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest (HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099, r.o. 3.2).
Deze mogelijkheid om het vermoeden te weerleggen biedt de bestuurder een uitweg. Hij kan bijvoorbeeld aannemelijk maken dat plotselinge marktomstandigheden, verlies van een belangrijke klant of onvoorziene calamiteiten een belangrijke oorzaak van het faillissement waren. Ook handelen of nalaten van een bestuurder dat op zichzelf geen onbehoorlijke taakvervulling is, kan daarvoor volstaan. Lukt dat, dan ligt het op de weg van de curator om aannemelijk te maken dat de onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement was (r.o. 3.2).
Dat onderstreept het belang van een zorgvuldige administratie en tijdige openbaarmaking. Bestuurders die deze verplichtingen nalaten, lopen aanzienlijke financiële risico’s.
Neem contact op met een gespecialiseerd advocatenkantoor in Amsterdam voor persoonlijk juridisch advies over je specifieke situatie als bestuurder of schuldeiser. Deskundige ondersteuning helpt je aansprakelijkheidsrisico’s te identificeren, te beperken of succesvol een aansprakelijkheidsvordering in te stellen.
Veelgestelde vragen over bestuurdersaansprakelijkheid
Wanneer is een bestuurder persoonlijk aansprakelijk tegenover een schuldeiser?
In de regel alleen als hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627). Dat is bijvoorbeeld het geval als hij namens de vennootschap een verplichting aanging terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap die niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden (Beklamel), of als hij bewerkstelligde of toeliet dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakwam terwijl hij wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat zij die niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758).
Kan de curator een bestuurder aansprakelijk stellen voor het hele tekort?
Ja, als het bestuur zijn taak in de drie jaar vóór het faillissement kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is (artikel 2:248 lid 1 en 6 BW). Een individuele bestuurder is niet aansprakelijk als hij bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan hem te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen af te wenden (artikel 2:248 lid 3 BW). De rechter kan het bedrag wel verminderen als hij het bovenmatig vindt (artikel 2:248 lid 4 BW).
Ben je als bestuurder aansprakelijk voor fouten van een medebestuurder?
In beginsel wel, want elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Je ontkomt daaraan als je, mede gelet op de taakverdeling, geen ernstig verwijt treft en je niet nalatig bent geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen af te wenden (artikel 2:9 lid 2 BW; voor faillissement artikel 2:248 lid 3 BW).
Beschermt een holding als bestuurder je tegen persoonlijke aansprakelijkheid?
Nee. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder rust ook hoofdelijk op ieder die op dat moment bestuurder van die rechtspersoon is (artikel 2:11 BW). Bij aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad kun je je wel disculpëren door aan te tonen dat jou persoonlijk geen ernstig verwijt treft (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275).
Kan iemand die geen formele bestuurder is ook aansprakelijk zijn bij faillissement?
Ja. Voor de faillissementsaansprakelijkheid wordt met een bestuurder gelijkgesteld degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder (artikel 2:248 lid 7 BW). Ook commissarissen kunnen op deze grond worden aangesproken (artikel 2:259 BW).
Primaire bronnen
- Burgerlijk Wetboek Boek 2: artikel 2:9, 2:10, 2:11, 2:138, 2:149, 2:180, 2:248, 2:250, 2:259 en 2:394
- Burgerlijk Wetboek Boek 6: artikel 6:162
- HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel)
- HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 (Staleman/Van de Ven)
- HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011 (Berghuizer Papierfabriek)
- HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen)
- HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (Hezemans Air)
- HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275
- Hof Amsterdam 14 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1309 en HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:128 (Fairstar)
Advocaten gespecialiseerd in bestuurdersaansprakelijkheid