Een commercieel of zakelijk geschil is een conflict tussen ondernemers, bijvoorbeeld over contractbreuk, een onbetaalde factuur of aansprakelijkheid. Vorderingen tot en met € 25.000 en onder meer huur- en agentuurzaken behandelt in de regel de kantonrechter, waar je zonder advocaat mag procederen. Andere zaken gaan naar de rechtbank, waar je in de regel een advocaat nodig hebt (artikel 93 en 79 Rv).
Een zakelijk geschil kan over veel onderwerpen gaan; lees ook over commerciële zaken en de manieren om ze op te lossen. Ondernemers die geconfronteerd worden met een handelsgeschil staan voor een fundamentele keuze: welke weg leidt het snelst naar een afdwingbare oplossing?
Welke rechter behandelt commerciële geschillen?
Welke rechter je zaak behandelt, hangt af van de hoogte en de aard van de vordering. De kantonrechter behandelt vorderingen tot en met € 25.000 (inclusief de rente tot de dag van dagvaarding), tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en wordt betwist. Andere zaken behandelt de rechtbank (artikel 93 onder a Rv).
Bij de kantonrechter mag je zonder advocaat procederen (artikel 79 lid 1 Rv). Naast vorderingen tot en met € 25.000 behandelt de kantonrechter onder meer zaken over een arbeidsovereenkomst, een agentuur-, huur- of consumentenkoopovereenkomst, ongeacht de hoogte van de vordering (artikel 93 onder c Rv). Denk bij kleinere bedragen aan niet-betaalde facturen, leveringsgeschillen of contractbreuk. De procedure verloopt relatief informeel, waarbij partijen hun standpunten mondeling en schriftelijk kunnen toelichten.
De rechtbank behandelt de overige zaken: vorderingen boven € 25.000 en vorderingen van onbepaalde waarde, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn dat zo’n vordering niet meer waard is dan € 25.000 (artikel 93 onder b Rv). Denk aan geschillen over het bestaan van een overeenkomst, intellectuele eigendomsrechten of conflicten tussen vennoten, maar ook aanspraken op hogere schadevergoeding. Bij de rechtbank procedeer je in de regel bij advocaat (artikel 79 lid 2 Rv). In kort geding mag de gedaagde ook in persoon verschijnen (artikel 255 lid 1 Rv).
Daarnaast loopt sinds 1 maart 2025 een experiment met de regelrechter bij de rechtbanken Den Haag, Overijssel, Rotterdam en Zeeland-West-Brabant. De regelrechter behandelt vorderingen van een werknemer uit een arbeidsovereenkomst en geldvorderingen tot en met € 5.000 in hoofdsom van een natuurlijk persoon, ook als die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (bijvoorbeeld een eenmanszaak of vof). De eiser kiest of hij die procedure gebruikt (Tijdelijk besluit experiment regelrechter, artikel 3 tot en met 5). Een bv of nv kan er dus niet als eiser terecht. Het besluit vervalt drie jaar na de inwerkingtreding.
Hoe werkt de Netherlands Commercial Court (NCC)?
Internationale handelsgeschillen kunnen worden beslecht bij de Netherlands Commercial Court (NCC), de internationale handelskamer van de rechtbank Amsterdam. Daar kunnen partijen in het Engels procederen; ook de uitspraak is in het Engels, tenzij op verzoek van partijen in het Nederlands is geprocedeerd (artikel 32a lid 1 en 4 Rv).
De NCC richt zich op internationale geschillen. De wet stelt deze voorwaarden: de rechtbank of het gerechtshof Amsterdam is bevoegd, het gaat om een internationaal geschil over een rechtsbetrekking die ter vrije bepaling van partijen staat, en partijen zijn uitdrukkelijk overeengekomen bij de NCC te procederen. Kantonzaken zijn uitgesloten (artikel 32a lid 1 Rv). In hoger beroep is er de Netherlands Commercial Court of Appeal bij het gerechtshof Amsterdam.
De procedure volgt het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daarnaast werkt de NCC met eigen procesregels.
Ondernemers die bij de NCC willen procederen, moeten dat uitdrukkelijk overeenkomen. Die afspraak wordt bewezen door een geschrift. Daarvoor volstaat een geschrift dat het beding bevat of dat verwijst naar algemene voorwaarden met zo’n beding, mits het specifieke beding door of namens de wederpartij uitdrukkelijk is aanvaard (artikel 32a lid 1 Rv). Een voorbeeld van zo’n beding: “All disputes arising out of or in connection with this agreement will be resolved by the Amsterdam District Court following proceedings in English before the Chamber for International Commercial Matters (Netherlands Commercial Court).”
Wat kost een commercieel geschil bij de rechter?
Partijen betalen griffierecht aan de rechtbank voor de behandeling van hun zaak. De hoogte hangt af van de soort zaak, de hoogte van de vordering en de vraag of je een natuurlijk persoon bent of niet (een bv, nv of vof betaalt het tarief voor niet-natuurlijke personen) (artikel 3 en bijlage Wet griffierechten burgerlijke zaken).
Het griffierecht loopt op met de hoogte van de vordering. Bij de rechtbank (buiten kantonzaken) betaalt een niet-natuurlijk persoon (zoals een bv, nv of vof) sinds 1 januari 2026 € 735 bij een vordering van onbepaalde waarde, € 3.083 tot en met € 100.000, € 7.062 tot en met € 1.000.000 en € 10.487 daarboven. Voor natuurlijke personen en bij de kantonrechter liggen de tarieven lager. Daarnaast komen de kosten van je advocaat en eventuele deskundigen. De partij die in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld (artikel 237 lid 1 Rv). In de regel vergoedt zij een vast bedrag volgens het liquidatietarief, dus maar een deel van de werkelijke advocaatkosten.
Hebben partijen in hun contract afgesproken dat de verliezer meer proceskosten vergoedt, dan kan de rechter die bedragen ambtshalve matigen, maar niet tot onder de proceskosten die volgens de wet worden begroot. Dat geldt niet voor een overeenkomst die een al gerezen geschil regelt (artikel 242 Rv).
Wanneer is hoger beroep mogelijk?
Ondernemers die het niet eens zijn met de beslissing kunnen in hoger beroep bij een gerechtshof, tenzij de vordering niet meer beloopt dan € 1.750 (artikel 332 lid 1 Rv). De termijn is drie maanden na de uitspraak, bij een kort geding vier weken (artikel 339 lid 1 en 2 Rv). Het gerechtshof kan de zaak dan opnieuw beoordelen.
Bij het gerechtshof procedeer je altijd bij advocaat, ongeacht de hoogte van het bedrag (artikel 353 lid 1 Rv). In de procedure in hoger beroep kunnen partijen in de regel nieuwe argumenten aanvoeren en aanvullend bewijs leveren.
Tegen een uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad (artikel 398 Rv), binnen drie maanden na de uitspraak, en in kort geding binnen acht weken (artikel 402 Rv). De Hoge Raad is gebonden aan de feiten die het hof heeft vastgesteld (artikel 419 lid 3 Rv). Cassatie is daarom vooral zinvol bij juridische vragen, bijvoorbeeld over de uitleg van de wet, of bij een onvoldoende gemotiveerde beslissing.
Hoe verloopt een commerciële rechtsprocedure?
Een procedure bij de rechtbank start met een dagvaarding die de deurwaarder aan de gedaagde betekent. Bij een gedaagde in Nederland zit tussen de betekening en de eerste roldatum ten minste een week (artikel 114 Rv). Heeft de gedaagde een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf in het buitenland, dan is die termijn ten minste vier weken (in een staat waar de verordening van artikel 56 lid 1 Rv geldt, of in een Europese staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag van 1965) of ten minste drie maanden (overige staten), tenzij het exploot in Nederland aan de gedaagde in persoon of aan een door hem gekozen woonplaats wordt gedaan (artikel 115 Rv). De gedaagde dient zijn conclusie van antwoord in op de eerste roldatum of op een latere datum die de rechter bepaalt (artikel 128 lid 2 Rv).
De eisende partij formuleert in de dagvaarding de vordering, onderbouwt deze met feiten en juridische argumenten, en voegt relevante bewijsstukken toe zoals contracten, correspondentie en facturen. Een deurwaarder betekent deze dagvaarding formeel aan de wederpartij, waarmee de procedure officieel start.
In de conclusie van antwoord reageert de gedaagde op de stellingen van de eiser, voert verweer en kan een tegenvordering instellen. Alle excepties en het verweer moet hij tegelijk aanvoeren (artikel 128 lid 3 Rv). Daarna beveelt de rechter in de regel een mondelinge behandeling (artikel 131 Rv). Een extra schriftelijke ronde (repliek en dupliek) volgt dan alleen als dat nodig is voor een goede behandeling van de zaak (artikel 132 lid 2 Rv).
Tijdens de mondelinge behandeling lichten partijen hun standpunten toe en beantwoorden zij vragen van de rechter. De rechter kan daar ook een schikking beproeven (artikel 87 lid 2 Rv). Daarna volgt een vonnis, soms eerst een tussenvonnis, bijvoorbeeld met een bewijsopdracht.
Welke bewijsmiddelen accepteert de rechter?
Nederlandse rechters beoordelen bewijs zoals schriftelijke stukken, getuigenverklaringen, deskundigenrapporten en bekentenissen. Contracten, e-mails en facturen vormen vaak de kern van het bewijs in commerciële geschillen.
Bewijs kan in beginsel met alle middelen worden geleverd, en de rechter waardeert het bewijs vrij, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 152 Rv). De rechter kan getuigen laten horen op de mondelinge behandeling of in een apart getuigenverhoor (artikel 166 Rv). Een getuigenverklaring telt alleen als bewijs voor zover de getuige de feiten uit eigen waarneming kent (artikel 163 Rv).
Bij technisch complexe geschillen kan de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve een deskundigenbericht bevelen (artikel 186 lid 1 Rv). Deze onafhankelijke expert onderzoekt specifieke vragen en rapporteert aan de rechter. Denk aan bouwkundige geschillen waarbij een constructeur oordeelt over gebreken, of IT-geschillen waarin een technisch specialist de functionaliteit van software beoordeelt.
Wil je weten hoe sterk je staat in een commercieel geschil? Onze advocaten in Amsterdam bekijken je situatie en adviseren over de procedurestrategie, van bewijsvoering tot forumkeuze.
Wat zijn alternatieven voor een rechtszaak?
Ondernemers kunnen geschillen ook oplossen via mediation, bindend advies of arbitrage. Dat kan sneller of goedkoper zijn dan een procedure bij de rechter, maar dat hangt van de zaak af.
Bij mediation helpt een neutrale bemiddelaar partijen tot een gezamenlijke oplossing te komen. De mediator legt geen beslissing op. Partijen houden zo de controle over de uitkomst en kunnen oplossingen vinden die een rechter niet kan opleggen. Bij geslaagde mediation leggen partijen hun afspraken vast in een vaststellingsovereenkomst (artikel 7:900 lid 1 BW). Bij bindend advies laten partijen de beslissing over aan een derde (artikel 7:900 lid 2 BW).
Bij arbitrage beslissen een of meer arbiters in een arbitraal vonnis. Dat kan alleen als partijen arbitrage zijn overeengekomen (artikel 1020 Rv). Tegen een arbitraal eindvonnis staan bij de rechter alleen vernietiging en herroeping open (artikel 1064 Rv). Partijen kunnen zelf arbiters met de juiste deskundigheid kiezen. Arbitrage is echter niet automatisch vertrouwelijk: de wet bepaalt alleen dat derden geen afschrift krijgen van een ter griffie nedergelegd vonnis (artikel 1058 lid 4 Rv). Wil je geheimhouding, leg die dan vast. Nadeel: naast je advocaat betaal je de honoraria van de arbiters en vaak administratiekosten van een instituut, waardoor arbitrage duurder kan uitvallen.
Het Verdrag van New York (1958) maakt de erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen mogelijk in een groot aantal verdragsstaten, terwijl vonnissen van de Nederlandse rechter binnen de Europese Unie eenvoudig uitvoerbaar zijn via de Brussel I bis-Verordening. Buiten de EU vergt tenuitvoerlegging van rechtbankuitspraken vaak een aparte exequaturprocedure.
Hoe werkt een kort geding procedure?
Een kort geding biedt een voorlopige voorziening als je niet kunt wachten op een gewone procedure. De voorzieningenrechter is bevoegd in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad nodig is (artikel 254 lid 1 Rv).
Ondernemers gebruiken kort geding bijvoorbeeld bij dreigende contractbreuk, onrechtmatige concurrentie of acute betalingsproblemen. Met een kort geding kun je bijvoorbeeld nakoming, een verbod of een voorschot op een geldvordering vragen.
De voorzieningenrechter toetst of de eiser voldoende spoedeisend belang heeft en of de gevraagde voorziening voorshands gerechtvaardigd lijkt. Zijn beslissing is voorlopig: zij brengt geen nadeel toe aan de zaak ten principale (artikel 257 Rv), dus de bodemrechter kan anders oordelen. De gedaagde mag in persoon verschijnen (artikel 255 lid 1 Rv). Het griffierecht hangt af van de vordering; voor een vordering van onbepaalde waarde bij de rechtbank is dat sinds 1 januari 2026 € 735 voor een niet-natuurlijk persoon (zoals een bv of vof) en € 341 voor een natuurlijk persoon. Bij de Netherlands Commercial Court is het griffierecht in kort geding € 9.759 (bijlage Wet griffierechten burgerlijke zaken).
Wanneer is internationale rechtsmacht van belang?
Nederlandse rechtbanken zijn internationaal bevoegd wanneer de gedaagde in Nederland woont, partijen Nederlandse rechtsmacht zijn overeengekomen, of de zaak voldoende binding heeft met Nederland volgens artikel 2 Brussel I bis-Verordening.
Bij contractuele geschillen met internationale partijen bepaalt de forumkeuzeclausule vaak welke rechter bevoegd is. Een voorbeeld: “De rechtbank Amsterdam is bij uitsluiting bevoegd van geschillen uit deze overeenkomst kennis te nemen.” Binnen Nederland is de gekozen rechter dan bij uitsluiting bevoegd (artikel 108 lid 1 Rv). Bij een vordering van ten hoogste € 25.000 heeft zo’n beding in beginsel geen gevolg, tenzij het na het ontstaan van het geschil is gemaakt (artikel 108 lid 2 Rv). Zonder forumkeuze kijkt de rechter naar de woonplaats van de gedaagde of de plaats waar de kenmerkende prestatie wordt verricht.
De Brussel I bis-Verordening regelt rechtsmacht binnen de Europese Unie en waarborgt wederzijdse erkenning van vonnissen. Een uitspraak van de rechtbank Amsterdam is daarom direct uitvoerbaar in Duitsland, Frankrijk of elk ander EU-land zonder nieuwe procedure. Verwerende partijen kunnen binnen zeer beperkte grenzen bezwaar maken tegen erkenning.
Buiten de EU vereist tenuitvoerlegging van Nederlandse vonnissen vaak een exequaturprocedure in het land waar executie plaatsvindt. Deze procedure toetst of het vonnis voldoet aan lokale openbare orde-eisen en procedurele waarborgen. In landen zonder verdrag met Nederland kan tenuitvoerlegging aanzienlijk complexer zijn.
Welke rechtskeuze geldt in commerciële contracten?
Partijen kunnen vrij kiezen welk nationaal recht van toepassing is op hun overeenkomst volgens de Rome I-Verordening. Bij ontbreken van rechtskeuze past de rechter het recht toe van het land waarmee de overeenkomst de nauwste band heeft.
Nederlandse ondernemers kiezen vaak Nederlands recht vanwege vertrouwdheid en voorspelbaarheid. Een rechtskeuze voor Nederlands recht combineert goed met forumkeuze voor de Nederlandse rechter of NCC, omdat Nederlandse rechters Nederlands materieel recht vanzelfsprekend beter beheersen dan buitenlandse rechters.
Echter, bij internationale transacties kiezen partijen soms neutraal Engels recht of Zwitsers recht. Ook dan kan de NCC een geschikt forum zijn, omdat partijen daar in het Engels kunnen procederen (artikel 32a lid 1 Rv).
Neem contact op met ons kantoor in Amsterdam voor advies over je commerciële geschil, rechtskeuze en forumkeuze. Vroegtijdig advies helpt procedurefouten te voorkomen.
Hoe bescherm je je onderneming preventief?
Preventie begint bij zorgvuldige contractvorming met duidelijke afspraken over prestaties, termijnen, prijzen en geschilbeslechting. Commerciële geschillen ontstaan vaak door onduidelijke contractbepalingen of onvolledige documentatie.
Sluit schriftelijke overeenkomsten af die alle belangrijke elementen bevatten: partijen, prestaties, prijs, betalingstermijnen, leveringsvoorwaarden, aansprakelijkheidsbeperkingen en een geschilbeslechtingsclausule. Wil je algemene voorwaarden gebruiken, verwijs er dan in je offerte of aanbod naar; zij gelden als de wederpartij dat aanbod aanvaardt (artikel 6:217 BW). Geef de voorwaarden vóór of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand, of stel ze op de wettelijke manier elektronisch beschikbaar. Is dat redelijkerwijs niet mogelijk, dan volstaat het dat je vóór het sluiten meedeelt dat de voorwaarden bij jou ter inzage liggen of bij de Kamer van Koophandel of een griffie zijn gedeponeerd (of waar ze elektronisch te raadplegen zijn), en dat ze op verzoek worden toegezonden; stuur ze dan op verzoek ook onverwijld toe. Doe je dit niet, dan kan de wederpartij bedingen vernietigen (artikel 6:233 onder b en 6:234 BW). Op deze vernietigingsgronden kan geen beroep doen: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:360 BW die bij het sluiten van de overeenkomst laatstelijk zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt (of waarop toen laatstelijk artikel 2:403 lid 1 BW is toegepast), een partij waar op dat moment vijftig of meer personen werkzaam zijn of waarvoor dat uit een opgave in het handelsregister blijkt, en een partij die zelf meermalen dezelfde of nagenoeg dezelfde voorwaarden gebruikt (artikel 6:235 lid 1 en 3 BW). Tussen bedrijven die niet beide in Nederland gevestigd zijn (bepalend is de hoofdvestiging of, als de prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging moet worden verricht, die vestiging: artikel 6:247 lid 3 BW), gelden deze regels niet, ongeacht het toepasselijke recht (artikel 6:247 lid 2 BW).
Documenteer alle zakelijke communicatie systematisch. E-mails, offertes en orderbevestigingen vormen belangrijk bewijs bij geschillen, bijvoorbeeld als je moet aantonen dat de wederpartij een prijswijziging heeft geaccepteerd.
Controleer contractpartners vooraf via KVK-uittreksels, kredietwaardigheidsrapporten en referenties. Dit verkleint het risico op wanbetaling of contractbreuk. Bij grote transacties rechtvaardigt een due diligence onderzoek de investering, waarbij accountants en juristen de betrouwbaarheid en financiële positie van de wederpartij verifiëren.
Wat doe je bij dreigende wanbetaling?
Is er geen fatale betaaldatum afgesproken, stuur dan een schriftelijke aanmaning waarin je een redelijke termijn voor betaling stelt. Betaalt de wederpartij niet binnen die termijn, dan is zij in verzuim (artikel 6:82 lid 1 BW). Is een vaste uiterste betaaldatum afgesproken, dan treedt het verzuim in beginsel al in als die datum verstrijkt, zonder ingebrekestelling (artikel 6:83 onder a BW).
Bij een handelsovereenkomst is de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf de dag na de afgesproken uiterste betaaldatum. Is geen betaaldatum afgesproken, dan is zij van rechtswege verschuldigd vanaf 30 dagen na ontvangst van de factuur; staat de datum van ontvangst niet vast of ontvangt de schuldenaar de factuur vóór de prestatie, dan vanaf 30 dagen na ontvangst van de prestatie, en bij een bedongen aanvaardings- of keuringstermijn vanaf 30 dagen na aanvaarding of beoordeling (artikel 6:119a lid 1 en 2 BW). De rente is de herfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank plus acht procentpunten, telkens per halfjaar vastgesteld (artikel 6:120 lid 2 BW); van 1 juli tot en met 31 december 2026 is dat 10,4% per jaar. Daarnaast kun je incassokosten vorderen; bij een handelsovereenkomst is dat ten minste € 40 (artikel 6:96 lid 4 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten).
Overweeg conservatoir beslag als je vreest dat de schuldenaar vermogen laat verdwijnen. Daarvoor vraag je met een verzoekschrift verlof aan de voorzieningenrechter, die na summier onderzoek beslist; daarna legt de deurwaarder beslag op bijvoorbeeld bankrekeningen, voorraden of vorderingen (artikel 700 lid 1 en 2 Rv). Is de hoofdzaak nog niet begonnen, dan moet je die binnen de termijn die de rechter bepaalt (ten minste acht dagen na het beslag) aanhangig maken; anders vervalt het beslag. De voorzieningenrechter kan die termijn verlengen als je dat vraagt voordat hij verstrijkt (artikel 700 lid 3 Rv).
Een incassobureau of deurwaarder kan buitengerechtelijke incasso verzorgen. Executoriaal beslag kan pas als je een executoriale titel hebt, zoals een vonnis, en die aan de schuldenaar is betekend (artikel 430 lid 1 en 3 Rv).
Welke rol speelt verjaring in commerciële geschillen?
De algemene verjaringstermijn is twintig jaar, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 3:306 BW). Voor de meeste commerciële vorderingen geldt een kortere termijn: een vordering tot nakoming van een overeenkomst, zoals betaling van een factuur, verjaart vijf jaar na de dag waarop zij opeisbaar werd (artikel 3:307 lid 1 BW).
Verjaring betekent dat een rechtsvordering na verloop van tijd niet meer afdwingbaar is via de rechter. De schuld blijft bestaan als natuurlijke verbintenis (artikel 6:3 BW). De schuldenaar moet zich wel zelf op de verjaring beroepen; de rechter past haar niet ambtshalve toe (artikel 3:322 lid 1 BW).
Stuiting van verjaring kan door het instellen van een eis (artikel 3:316 BW; leidt de eis niet tot toewijzing, dan is de verjaring alleen gestuit als binnen zes maanden na het einde van het geding een nieuwe eis wordt ingesteld die wel wordt toegewezen, artikel 3:316 lid 2 BW), door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin je je recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW), en door erkenning door de schuldenaar (artikel 3:318 BW). Na stuiting, anders dan door een eis die wordt toegewezen, begint een nieuwe termijn die gelijk is aan de oorspronkelijke, maar niet langer dan vijf jaar. De verjaring treedt nooit eerder in dan zonder stuiting (artikel 3:319 lid 1 en 2 BW). Stuur daarom tijdig aanmaningen en bewaar het bewijs daarvan.
Specifieke vorderingen kennen eigen termijnen. Een vordering tot schadevergoeding verjaart vijf jaar nadat je zowel met de schade als met de aansprakelijke persoon bekend bent geworden, en in ieder geval twintig jaar na de gebeurtenis die de schade veroorzaakte (artikel 3:310 lid 1 BW). Voor onder meer milieuschade geldt een uiterste termijn van dertig jaar (lid 2), en bij schade door letsel of overlijden geldt de termijn van twintig jaar niet (lid 5). Huur, rente en alles wat per jaar of korter moet worden betaald, verjaart in vijf jaar na opeisbaarheid (artikel 3:308 BW). Een vordering tegen een producent wegens een gebrekkig product verjaart drie jaar nadat je met de schade, het gebrek en de producent bekend werd of had moeten worden, en het recht vervalt tien jaar nadat het product in het verkeer is gebracht (artikel 6:191 BW). Juridisch advies voorkomt dat je een vordering verliest door verjaring.
Hoe verhoudt Nederlands procesrecht zich tot Europese regelgeving?
Nederlandse procesregels functioneren binnen het kader van Europese verordeningen zoals Brussel I bis en Rome I. Deze verordeningen harmoniseren rechtsmacht en rechtskeuzevraagstukken binnen de EU.
De Brussel I bis-Verordening waarborgt dat vonnissen van de ene EU-lidstaat automatisch erkend worden in andere lidstaten. Een Nederlandse ondernemer die een Duits bedrijf daagt voor de rechtbank Amsterdam, weet dat een eventueel vonnis in Duitsland uitvoerbaar is zonder aparte exequaturprocedure.
Rome I-Verordening regelt welk recht van toepassing is op contractuele verplichtingen. Dit voorkomt forumshopping waarbij partijen de rechter kiezen die naar verwachting het gunstigste recht toepast. Partijen behouden autonomie om zelf rechtskeuze te maken, maar bij ontbreken daarvan bepalen objectieve aanknopingspunten het toepasselijke recht.
De Europese Small Claims-procedure biedt een vereenvoudigd grensoverschrijdend incassomechanisme voor vorderingen tot € 5.000. Deze procedure verloopt grotendeels schriftelijk en leidt tot een Europees executoriale titel die in alle EU-landen direct uitvoerbaar is. Voor Nederlandse ondernemers met kleine vorderingen op buitenlandse debiteuren vormt dit een toegankelijk alternatief.
Veelgestelde vragen over zakelijke geschillen
Wat is een zakelijk geschil?
Een zakelijk of commercieel geschil is een conflict tussen ondernemers over hun zakelijke relatie, bijvoorbeeld over een onbetaalde factuur, een gebrekkige levering, contractbreuk of aansprakelijkheid. Je lost het op door te onderhandelen, via mediation, bindend advies (artikel 7:900 BW), arbitrage (artikel 1020 Rv) of bij de rechter.
Bestaat er een small claims court in Nederland?
Een aparte small claims court bestaat niet. Kleinere zaken, met een vordering tot en met € 25.000, behandelt in de regel de kantonrechter (artikel 93 Rv). Daar mag je zonder advocaat procederen (artikel 79 lid 1 Rv). Bij vier rechtbanken loopt daarnaast een experiment met de regelrechter voor geldvorderingen tot en met € 5.000 in hoofdsom van natuurlijke personen en voor vorderingen van werknemers (Tijdelijk besluit experiment regelrechter, artikel 3 en 4).
Kun je boven € 25.000 zonder advocaat procederen?
Bij de rechtbank in de regel niet: buiten kantonzaken procedeer je bij advocaat (artikel 79 lid 2 Rv). Uitzonderingen zijn zaken die ongeacht het bedrag bij de kantonrechter horen, zoals huur- en agentuurzaken (artikel 93 onder c Rv), en de gedaagde in kort geding, die in persoon mag verschijnen (artikel 255 lid 1 Rv). In hoger beroep heb je altijd een advocaat nodig (artikel 353 lid 1 Rv).
Wat kost een bodemprocedure?
Je betaalt griffierecht, de kosten van je advocaat en eventueel van deskundigen. Een niet-natuurlijk persoon (zoals een bv of vof) betaalt bij de rechtbank sinds 1 januari 2026 € 735 griffierecht bij een vordering van onbepaalde waarde en € 3.083 bij een vordering tot en met € 100.000 (bijlage Wet griffierechten burgerlijke zaken). Wie verliest, wordt in de proceskosten veroordeeld (artikel 237 lid 1 Rv); in de regel dekt dat maar een deel van de werkelijke advocaatkosten.
Wat is een verklaring voor recht?
Een verklaring voor recht is een uitspraak van de rechter over een rechtsverhouding, bijvoorbeeld dat een partij tekort is geschoten of aansprakelijk is. Iedereen die onmiddellijk bij die rechtsverhouding betrokken is, kan erom vragen (artikel 3:302 BW). Zo’n verklaring wordt vaak gevorderd naast of vóór een vordering tot schadevergoeding.
Primaire bronnen
- Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: artikel 32a, 79, 87, 93, 108, 114, 128, 131, 132, 152, 163, 166, 186, 237, 242, 254, 255, 257, 332, 339, 353, 398, 402, 419, 430, 700, 1020, 1058 en 1064
- Burgerlijk Wetboek Boek 3: artikel 3:302, 3:306, 3:307, 3:308, 3:310, 3:316, 3:317, 3:318, 3:319 en 3:322
- Burgerlijk Wetboek Boek 6: artikel 6:3, 6:82, 6:83, 6:96, 6:119a, 6:120, 6:191, 6:217, 6:233, 6:234, 6:235 en 6:247
- Burgerlijk Wetboek Boek 7: artikel 7:900
- Wet griffierechten burgerlijke zaken, artikel 3 en bijlage (tarieven 2026)
- Tijdelijk besluit experiment regelrechter (Stb. 2025, 13), artikel 3 tot en met 5; inwerkingtreding 1 maart 2025 (Stb. 2025, 14)
- Verdrag van New York van 10 juni 1958 over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken
Welke situaties werken wij apart uit?
Speelt je geschil over de grens, dan gelden eigen regels voor rechtsmacht, betekening en tenuitvoerlegging; die zetten wij uiteen bij een internationaal zakelijk geschil. Staat er een arbitragebeding in je contract, lees dan eerst arbitrage bij zakelijke geschillen. Wil je weten wie je zaak behandelt, dan stellen onze procesadvocaten zich voor op de pagina’s over zakelijke geschillen en commerciële geschillen in Amsterdam. Dit hangt nauw samen met E-commerce geschillen naar Nederlands recht.