Aandeelhoudersgeschil oplossen: uittreding, uitstoting en enquete

Gepubliceerd · bijgewerkt

Een aandeelhoudersgeschil los je op met overleg of mediation, of via de Ondernemingskamer. Daar vraag je uitstoting (artikel 2:336a BW), uittreding (artikel 2:343 BW) of een enquête (artikel 2:345 BW). Uitstoting en uittreding gaan sinds 1 januari 2025, net als de enquête, met een verzoekschrift. Met ten minste 95% van het kapitaal en van de stemrechten van een bv kun je de rest uitkopen met een vordering bij de Ondernemingskamer (artikel 2:201a BW). Meer over de bevoegdheden van de Ondernemingskamer lees je apart.

Welke typen aandeelhoudersgeschillen zijn er?

Aandeelhoudersconflicten kunnen uiteenlopende vormen aannemen. Hieronder volgt een overzicht van veelvoorkomende categorieën, elk met karakteristieke problemen: Wij helpen je ook met wat zijn de voorwaarden voor de ontbinding van een vennootschap.

Hoe verhouden minderheids- en meerderheidsaandeelhouder zich?

 Dit type conflict doet zich voor wanneer de meerderheid haar macht gebruikt op een wijze die de minderheid benadeelt. Bijvoorbeeld: een meerderheidsaandeelhouder blokkeert structureel dividenduitkeringen, waardoor de minderheidsaandeelhouder vindt dat zijn belangen worden geschaad. Ook kan de meerderheid besluiten nemen (zoals het uitgeven van nieuwe aandelen) om het belang van de minderheid te verwateren of de minderheid buitenspel te zetten. Dergelijk misbruik van zeggenschap kan strijd opleveren met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Dit hangt nauw samen met wat zijn de vereisten voor de oprichting van een vennootschap.

Waarom lopen conflicten in familiebedrijven anders?

Conflicten binnen familiebedrijven kennen een extra dimensie door de verwevenheid van familieverhoudingen en bedrijfsbelangen. Vaak zijn meerdere familieleden zowel aandeelhouder als bestuurder, wat rolconflicten en emotionele spanningen kan veroorzaken. Veelvoorkomende issues zijn onenigheid over de bedrijfsvoering of opvolging, wantrouwen tussen familieleden en ondoorzichtige bevoordeling van bepaalde takken van de familie. In familiebedrijven kan een zakelijk meningsverschil snel persoonlijk worden, waardoor het conflict escaleert.

Wanneer ontstaat een geschil over dividend?

Het dividendbeleid kan een bron van conflict zijn, met name tussen aandeelhouders die direct rendement willen en aandeelhouders die winst willen inhouden voor groei. Bij een bv is in beginsel de algemene vergadering bevoegd tot bestemming van de winst en tot vaststelling van uitkeringen, voor zover het eigen vermogen groter is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden. De statuten kunnen die bevoegdheid beperken of aan een ander orgaan geven. Een besluit tot uitkering heeft geen gevolgen zolang het bestuur het niet heeft goedgekeurd (artikel 2:216 lid 1 en 2 BW). Een meerderheid kan dus besluiten weinig of geen dividend uit te keren en winst te reserveren, terwijl minderheidsaandeelhouders juist dividend verwachten. Worden dividenden stelselmatig zonder duidelijke rechtvaardiging ingehouden, dan kan de minderheid dat zien als een poging haar financieel uit te hongeren. Omgekeerd kan een minderheid dividendclaims leggen die de onderneming schaden.

Welk recht op informatie heeft een aandeelhouder?

Een veelvoorkomend twistpunt is de toegang tot informatie. Minderheidsaandeelhouders voelen zich soms onvoldoende geïnformeerd, met name als de meerderheidsaandeelhouder ook bestuurder is. Het bestuur en de raad van commissarissen moeten de algemene vergadering alle verlangde inlichtingen verschaffen, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet (artikel 2:217 lid 2 BW). Dat recht komt toe aan de algemene vergadering. Een individueel recht op informatie buiten de vergadering geeft de wet een aandeelhouder in beginsel niet. Onder omstandigheden kan de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW wel meebrengen dat de vennootschap een aandeelhouder ook buiten de vergadering informeert.

Dat kan bijvoorbeeld spelen als de meerderheidsaandeelhouder ook (indirect) bestuurder is en transacties met de vennootschap aangaat waarbij zijn eigen belang meespeelt. Onenigheid over inzage in boeken, financiële stukken of strategische plannen kan dan uitmonden in een kort geding of een enquêteprocedure.

Wat is het verschil tussen uittreding en uitstoting?

Deze conflicten draaien om het vertrek van een aandeelhouder uit de onderneming. Bij uittredingsgeschillen wil een aandeelhouder (vaak een minderheid) zijn aandelen verkopen en zich terugtrekken, bijvoorbeeld omdat de samenwerking verstoord is, maar ontbreekt een bereidwillige koper of redelijke prijs. De vertrekkende aandeelhouder kan zich “gegijzeld” voelen in de vennootschap. Omgekeerd spreken we van uitstotingsgeschillen wanneer de overige aandeelhouders van een problematisch individu af willen. Dit kan spelen als één aandeelhouder het de anderen zeer moeilijk maakt of het vennootschapsbelang schaadt, zodat de rest hem wil dwingen zijn aandelen over te dragen. Komen partijen er onderling niet uit en bieden de statuten of de aandeelhoudersovereenkomst geen regeling, dan blijft de wettelijke geschillenregeling over: uitstoting (artikel 2:336a BW) of uittreding (artikel 2:343 BW), beide op verzoek bij de Ondernemingskamer.

Hoe regel je de exit van een aandeelhouder?

Bij een (voorgenomen) overname kunnen conflicten ontstaan tussen aandeelhouders. Een scenario is dat een meerderheidsaandeelhouder zijn belang wil verkopen aan een derde (bijvoorbeeld een investeerder), maar een minderheidsaandeelhouder weigert mee te verkopen, waardoor de deal bemoeilijkt wordt. De koper wil immers vaak 100% van de aandelen. Omgekeerd kan een minderheidsaandeelhouder bij een overname vrees hebben een “beklemde” aandeelhouder te worden, bijvoorbeeld als de nieuwe meerderheidsaandeelhouder geen oog heeft voor zijn belangen.

Er kunnen discussies ontstaan over exit-regelingen: heeft de minderheid het recht om mee te verkopen (tag-along), of kan de meerderheid de minderheid dwingen mee te verkopen (drag-along)? Contractuele afspraken of het ontbreken daarvan spelen hier een grote rol (zie ook de praktische oplossingen verderop). Na een openbaar bod op een vennootschap waarvan aandelen tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, kan de bieder met ten minste 95% van het kapitaal en van de stemrechten de overgebleven minderheid uitkopen (artikel 2:359a lid 1 en 2:359c lid 1 BW); daarnaast gelden de algemene uitkoopregelingen van artikel 2:92a en 2:201a BW. Weigert een minderheid mee te werken, dan kan dit uitmonden in juridische procedures. Een meerderheid moet wel de grenzen van artikel 2:8 BW in acht nemen. Volgens de Hoge Raad is het niet op zichzelf ontoelaatbaar dat een meerderheid via een juridische fusie de uitkoopregeling toepasselijk maakt, maar een fusiebesluit dat enkel en alleen strekt tot uitstoting van minderheidsaandeelhouders, kan in strijd zijn met artikel 2:8 BW (Versatel, zie hierna).

Wanneer is sprake van misbruik van zeggenschap?

Deze categorie overlapt deels met de hiervoor genoemde situaties en ziet op ongelijkwaardige verhoudingen waarbij de meerderheidsaandeelhouder besluiten doordrukt die de minderheid schaden of waarbij statutaire rechten worden misbruikt. Dit kan gaan om het wijzigen van statuten om een minderheidsaandeelhouder te benadelen, het ontzeggen van stemrecht ten onrechte, het benoemen of ontslaan van bestuurders om eigen gewin, of transacties tussen de vennootschap en de meerderheid (zelfde persoon of gelieerde partijen) tegen onredelijke condities. In het Nederlandse recht wordt dit getoetst aan de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW). Een besluit dat in strijd is met de wet of de statuten, is nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit (artikel 2:14 lid 1 BW). Vernietigbaar is een besluit dat in strijd is met de wettelijke of statutaire regels over het tot stand komen van besluiten, met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW of met een reglement (artikel 2:15 lid 1 BW). Gebruikt een meerderheid haar stemrecht op een manier die jegens de minderheid in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, dan kan dat besluit dus vernietigbaar zijn (artikel 2:15 lid 1 onder b BW).

Wat doe je bij een patstelling tussen aandeelhouders?

Bij een deadlock is besluitvorming volledig geblokkeerd. Dit ziet men vaak in 50/50-verhoudingen, bijvoorbeeld twee aandeelhouders die ieder 50% hebben en vaak ook gezamenlijk bestuurder zijn. Als de samenwerking spaak loopt en partijen lijnrecht tegenover elkaar staan, kunnen zij geen besluiten in de algemene vergadering of het bestuur nemen, doordat voor alles een meerderheid of consensus nodig is. De onderneming komt lam te liggen. Een deadlock is funest: dagelijkse beslissingen worden niet genomen, noodzakelijke investeringen blijven uit, enzovoort. Joint ventures kennen dit risico bij gelijk verdeelde zeggenschap. Zonder voorziening in de statuten of overeenkomst resteren vooral dure en ingrijpende oplossingen: de geschillenregeling (uitstoting of uittreding) of een enquêteprocedure, waarin de Ondernemingskamer onder meer een tijdelijke bestuurder kan aanstellen en in het uiterste geval de rechtspersoon kan ontbinden (artikel 2:356 BW). Deze impasses vormen een aparte categorie omdat hier geen duidelijk “schuldige” is, het gaat om onoplosbare meningsverschillen waar geen meerderheidsbeslissing mogelijk is.

Bovenstaande typologieën overlappen soms. Zo gaan geschillen tussen meerderheid en minderheid vaak óók over dividend of informatie; deadlocks komen voor in familiebedrijven; misbruik van zeggenschap kan de achtergrond zijn van een uittredingsverzoek, etc. In alle gevallen geldt dat escalatie van het conflict grote schade kan toebrengen aan de onderneming en dat specifieke juridische instrumenten kunnen worden ingezet om een oplossing af te dwingen.

Welk wettelijk kader geldt bij aandeelhoudersgeschillen?

De wetgever heeft in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (rechtspersonenrecht) diverse bepalingen en procedures opgenomen die relevant zijn bij aandeelhoudersgeschillen. Hier bespreken we de belangrijkste wettelijke kaders:

Artikel 2:8 BW – Redelijkheid en billijkheid

Art. 2:8 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken (zoals aandeelhouders, bestuurders en commissarissen), zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (artikel 2:8 lid 1 BW). Een regel die tussen hen geldt krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit, is niet van toepassing voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (lid 2). Ook wie formeel een recht heeft, moet dus rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van de anderen. In conflictsituaties wordt artikel 2:8 BW vaak ingeroepen als toetssteen voor gedragingen van aandeelhouders en bestuurders, bijvoorbeeld bij het structureel achterstellen van een minderheidsaandeelhouder. Voor joint ventures heeft de Hoge Raad overwogen dat het belang van de vennootschap mede wordt bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking (Cancun, zie hierna).

Artikel 2:15 BW – Vernietigbaarheid van besluiten

Art. 2:15 BW maakt het mogelijk besluiten van organen van de vennootschap, zoals een besluit van de algemene vergadering, door de rechter te laten vernietigen. Een besluit is vernietigbaar wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (onder a), wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW (onder b) of wegens strijd met een reglement (onder c) (artikel 2:15 lid 1 BW). Is een besluit inhoudelijk in strijd met de wet of de statuten, dan is het nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit (artikel 2:14 lid 1 BW). Voor aandeelhoudersgeschillen is vooral grond b van belang. Een minderheidsaandeelhouder die geconfronteerd wordt met een besluit dat uitsluitend is bedoeld om hem te benadelen, bijvoorbeeld een emissie die alleen zijn belang moet verwateren, kan vernietiging vorderen. Die vordering stel je in tegen de rechtspersoon bij de rechtbank van zijn woonplaats (artikel 2:15 lid 3 BW). De bevoegdheid vervalt een jaar na het einde van de dag waarop aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven of waarop je er kennis van nam of erover werd ingelicht (artikel 2:15 lid 5 BW). Of een besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, hangt af van alle omstandigheden van het geval.

Hoe werkt de wettelijke geschillenregeling?

Specifiek voor geschillen tussen aandeelhouders van een bv of nv biedt de wet de geschillenregeling (Boek 2, titel 8, afdeling 1: artikel 2:336 tot en met 2:343c BW). Daarmee kunnen aandeelhouders onder strikte voorwaarden definitief uit elkaar gaan via een gedwongen overdracht van aandelen. Statuten of een aandeelhoudersovereenkomst kunnen een eigen regeling bevatten en arbitrage voorschrijven (artikel 2:337 lid 2 BW). Op een afwijking van de wettelijke regeling kun je echter geen beroep doen voor zover die de overdracht van aandelen onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt (artikel 2:337 lid 1 BW). De geschillenregeling kent twee hoofdverzoeken:

Uitstoting van een aandeelhouder (art. 2:336a BW)

Een of meer aandeelhouders die alleen of samen ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen, kunnen de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam verzoeken een andere aandeelhouder te bevelen zijn aandelen over te dragen. Dat kan als die aandeelhouder door zijn gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder, het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (artikel 2:336a lid 1 BW). Denk aan een aandeelhouder die de besluitvorming stelselmatig frustreert of de vennootschap beconcurreert; of dat genoeg is, hangt af van alle omstandigheden. De vennootschap en haar dochtermaatschappijen kunnen het verzoek niet indienen (artikel 2:336a lid 2 BW). De Ondernemingskamer kan haar beslissing aanhouden als de vennootschap of aandeelhouders maatregelen nemen die het nadeel voor de vennootschap zoveel mogelijk ongedaan maken of beperken (artikel 2:336a lid 5 BW). Wijst zij het verzoek toe, dan levert de aandeelhouder zijn aandelen aan de verzoekers tegen betaling van de vastgestelde prijs, tenzij de aandelen volgens de wet of de statuten eerst aan anderen moeten worden aangeboden (artikel 2:341 lid 1 en 2 BW).

Uittreding van een aandeelhouder (art. 2:343 BW)

Een aandeelhouder die door gedragingen van een of meer medeaandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan de Ondernemingskamer verzoeken die medeaandeelhouders te bevelen zijn aandelen over te nemen (artikel 2:343 lid 1 BW). Hij kan ook vragen dat de vennootschap de aandelen overneemt, op grond van gedragingen van medeaandeelhouders of van de vennootschap zelf. Dat verzoek wordt niet toegewezen voor zover de regels over de verkrijging van eigen aandelen (artikel 2:98 of 2:207 BW) in de weg staan. Denk aan het stelselmatig buitensluiten van een aandeelhouder, het onthouden van informatie of financiële benadeling; ook hier hangt het af van alle omstandigheden. Wordt het verzoek toegewezen, dan moeten de verweerders de aandelen binnen twee weken na betekening van de beschikking over de prijs overnemen tegen gelijktijdige betaling, tenzij een wettelijke of statutaire aanbiedingsregeling voorgaat (artikel 2:343a lid 1 en 2 BW).

Beide procedures leiden tot een gedwongen scheiding van wegen. Bij uitstoting kan de verweerder zijn aandelen na betekening van het verzoekschrift en tot de beschikking onherroepelijk is, niet meer vervreemden, verpanden of in vruchtgebruik geven, tenzij de verzoekers of de Ondernemingskamer toestemming geven. De Ondernemingskamer kan ook een voorlopige voorziening treffen (artikel 2:338 lid 1 en 3 BW). Wordt het verzoek toegewezen, dan benoemt de Ondernemingskamer in de regel een of meer deskundigen die schriftelijk over de prijs berichten (artikel 2:339 lid 1 BW). Zij kan daarvan afzien als partijen het over de waardering eens zijn, of als de statuten of een overeenkomst in de zin van artikel 2:337 lid 1 BW een duidelijke maatstaf voor de waarde bevatten en de Ondernemingskamer aan de hand daarvan de prijs zonder meer kan vaststellen (lid 3). Gelden tussen partijen op grond van de statuten of een overeenkomst in de zin van artikel 2:337 lid 1 BW waarderingsbepalingen, dan stellen de deskundigen hun bericht op met inachtneming daarvan (lid 2); de Ondernemingskamer houdt er geen rekening mee voor zover ze tot een kennelijk onredelijke prijs zouden leiden (artikel 2:340 lid 3 BW). De aandelen worden binnen twee weken na betekening van de prijsbeschikking geleverd tegen gelijktijdige betaling, als die beschikking uitvoerbaar bij voorraad of onherroepelijk is. Moeten de aandelen volgens de wet of de statuten eerst aan anderen worden aangeboden, dan gaat die aanbieding voor (artikel 2:341 lid 1 en 2 en 2:343a lid 1 en 2 BW). Bij uittreding kan de Ondernemingskamer desverzocht een billijke verhoging van de prijs toepassen, als aannemelijk is dat gedragingen van de verweerder of van anderen de waarde van de aandelen hebben verminderd en die vermindering niet, of niet volledig, voor rekening van de uittredende aandeelhouder behoort te blijven (artikel 2:343 lid 3 BW). Denk aan een emissie tegen een te lage prijs die het belang van de minderheid heeft verwaterd. Voor uitstoting kent de wet geen vergelijkbare verlaging; wel kan het gedrag van de uit te stoten aandeelhouder doorwerken in de waarde van de onderneming.

Procedureel is de geschillenregeling per 1 januari 2025 gewijzigd door de Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure (Stb. 2024, 174; inwerkingtreding Stb. 2024, 175). Tot die datum begon de procedure met een dagvaarding bij de rechtbank, met hoger beroep bij de Ondernemingskamer. Dat duurde vaak lang, en veel aandeelhouders kozen daarom voor de enquêteprocedure (zie hierna). Voor zaken waarin de dagvaarding vóór 1 januari 2025 rechtsgeldig was betekend, of waarin een verzoek tot prijsvaststelling of een enquêteverzoek vóór die datum was ingediend, blijft het oude recht gelden (artikel III Stb. 2024, 174). Drie belangrijke punten:

  1. Uitstoting en uittreding gaan met een verzoekschrift rechtstreeks naar de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam, in plaats van met een dagvaarding naar de rechtbank; de verweerders worden bij exploot opgeroepen (artikel 2:336a lid 1 en 3 en 2:343 lid 1 en 2 BW). Voor uitstoting tellen nu ook gedragingen mee die iemand niet als aandeelhouder verricht, bijvoorbeeld als bestuurder.
  2. Er is één feitelijke instantie: de Ondernemingskamer (vgl. artikel 2:336a lid 7 BW). Tegen haar beschikking staat beroep in cassatie bij de Hoge Raad open (artikel 426 Rv). Tegen sommige tussenbeslissingen, zoals de benoeming van deskundigen, staat geen hogere voorziening open (artikel 2:339 lid 1 BW).
  3. De Ondernemingskamer kan ook kennisnemen van vorderingen die samenhangen met de gedragingen waarop het verzoek steunt, tussen dezelfde partijen of tussen een van hen en de vennootschap, bijvoorbeeld een vordering tot schadevergoeding. Die vorderingen kun je in het verzoekschrift opnemen (artikel 2:336a lid 6 BW; voor uittreding via artikel 2:343 lid 2 BW). Lenen ze zich niet voor gezamenlijke behandeling in één feitelijke instantie, dan kan de Ondernemingskamer de zaak splitsen (artikel 2:336a lid 7 BW). Een enquêteverzoek volgt zijn eigen regels (artikel 2:345 BW).

Of de geschillenregeling daardoor vaker wordt gebruikt, moet de praktijk uitwijzen. Zij geldt voor de bv en de nv, maar niet als de aandelen of certificaten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit, of op een vergelijkbaar systeem buiten de EU (artikel 2:336 BW). Bij zulke vennootschappen zijn eerder de uitkoopregeling of de enquête aan de orde.

Wanneer start je een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer?

Naast de geschillenregeling kent het Nederlandse recht de enquêteprocedure (artikel 2:344 tot en met 2:359 BW). Op verzoek laat de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam een onderzoek doen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon (artikel 2:345 lid 1 BW). Bij een bv of nv met een geplaatst kapitaal van ten hoogste € 22,5 miljoen kun je het verzoek doen als je alleen of samen met anderen ten minste een tiende van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt of aandelen of certificaten met een nominale waarde van € 225.000 hebt. Bij een groter kapitaal is een honderdste genoeg, en bij een vennootschap waarvan aandelen of certificaten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit (of een vergelijkbaar systeem buiten de EU) een honderdste of een waarde van € 20 miljoen volgens de slotkoers op de laatste handelsdag vóór indiening van het verzoek; steeds geldt: of zoveel minder als de statuten bepalen (artikel 2:346 lid 1 BW). Ook de rechtspersoon zelf, wie daartoe bij de statuten of bij overeenkomst bevoegd is, in faillissement de curator (artikel 2:346 BW), een vakbond onder voorwaarden (artikel 2:347 BW) en de advocaat-generaal om redenen van openbaar belang (artikel 2:345 lid 2 BW) kunnen een verzoek doen. De ondernemingsraad heeft geen eigen wettelijk recht om een enquête te verzoeken, tenzij de statuten of een overeenkomst met de rechtspersoon hem die bevoegdheid geven. Je moet je bezwaren eerst schriftelijk aan het bestuur en de raad van commissarissen melden, en de vennootschap moet daarna redelijkerwijs de gelegenheid hebben gehad ze te onderzoeken en maatregelen te nemen (artikel 2:349 lid 1 BW).

Het doel van de enquêteprocedure is primair herstel van gezonde verhoudingen en goed beleid binnen de vennootschap, maar ook opening van zaken (zie Ogem hierna). Het is geen instrument om een aandeelhouder uit te kopen. De procedure verloopt in twee fasen. Eerst beoordeelt de Ondernemingskamer of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen; alleen dan gelast zij een onderzoek (artikel 2:350 lid 1 BW). Verzoekers kunnen ook onmiddellijke voorzieningen vragen: tijdelijke maatregelen in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek. De Ondernemingskamer kan die in elke stand van het geding treffen, voor ten hoogste de duur van het geding. Zolang nog geen onderzoek is gelast, doet zij dat alleen als er naar haar voorlopig oordeel gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen (artikel 2:349a lid 2 en 3 BW). Voorbeelden zijn het schorsen van een bestuurder, het benoemen van een tijdelijke bestuurder of commissaris, het schorsen van het stemrecht op bepaalde aandelen of het tijdelijk buiten werking stellen van besluiten. Zo kan de Ondernemingskamer een impasse doorbreken door een onafhankelijke bestuurder met een doorslaggevende stem aan te stellen.

Na het onderzoek legt de onderzoeker een verslag neer. Blijkt daaruit van wanbeleid, dan kan de Ondernemingskamer op verzoek, gedaan binnen twee maanden na nederlegging van het verslag, voorzieningen treffen (artikel 2:355 lid 1 en 2 BW). Dat zijn: schorsing of vernietiging van besluiten, schorsing of ontslag van bestuurders of commissarissen, tijdelijke aanstelling van bestuurders of commissarissen, tijdelijke afwijking van statuten, tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer en ontbinding van de rechtspersoon (artikel 2:356 BW). In de enquête kan de Ondernemingskamer dus geen definitieve overdracht van aandelen aan een medeaandeelhouder gelasten. Daarvoor is de geschillenregeling bedoeld, die sinds 1 januari 2025 ook bij de Ondernemingskamer ligt. Het blijven twee afzonderlijke procedures met eigen voorwaarden.

In de praktijk was de enquêteprocedure jarenlang populair bij aandeelhoudersgeschillen, juist omdat de oude geschillenregeling traag was. Via onmiddellijke voorzieningen konden belanghebbenden relatief snel ingrijpen. Wijst de Ondernemingskamer het verzoek toe, dan stelt zij vast hoeveel het onderzoek ten hoogste mag kosten; de rechtspersoon betaalt de kosten van het onderzoek (artikel 2:350 lid 3 BW). Na kennisneming van het verslag kan de Ondernemingskamer op verzoek van de rechtspersoon wel beslissen dat die de kosten geheel of gedeeltelijk verhaalt op de verzoekers, als het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, of op een bestuurder, commissaris of ander die in dienst van de rechtspersoon is, als die verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken (artikel 2:354 BW). Een enquête leidt niet tot een uitkoop. Vaak werkt zij vooral als pressiemiddel: de dreiging dat de Ondernemingskamer wanbeleid vaststelt en ingrijpt, is een sterke prikkel om alsnog een minnelijke oplossing te zoeken, bijvoorbeeld een uitkoop met wederzijds goedvinden. In het Cancun-arrest overwoog de Hoge Raad dat bestuurders zich moeten richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, en dat bij een joint-venturevennootschap dat belang mede wordt bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. Hebben de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel, dan kan het vennootschapsbelang meebrengen dat de verhoudingen tussen hen niet verder veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is (HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, r.o. 4.2.1).

Samengevat is de enquêteprocedure een krachtig instrument om vastgelopen verhoudingen of wanbeleid te corrigeren. In aandeelhoudersgeschillen kan het zowel door meerderheids- als minderheidsaandeelhouders worden gebruikt. Bijvoorbeeld: een minderheidsaandeelhouder die zich ernstig benadeeld voelt en geen vertrouwen meer heeft in de meerderheid, kan een enquête verzoeken om het beleid te laten onderzoeken; een meerderheid kan een enquête verzoeken wanneer een patstelling met de minderheid het bedrijf verlamt.

Uitkoop van een aandeelhouder (art. 2:92a/2:201a BW)

Ten slotte is er de uitkoopregeling. Een aandeelhouder die voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal verschaft, kan tegen de andere aandeelhouders een vordering instellen tot overdracht van hun aandelen aan hem (artikel 2:92a lid 1 BW voor de nv). Bij een bv moet hij daarnaast ten minste 95% van de stemrechten in de algemene vergadering kunnen uitoefenen (artikel 2:201a lid 1 BW). Twee of meer groepsmaatschappijen mogen die percentages samen halen. Over de vordering oordeelt in eerste aanleg de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam; daarna staat alleen beroep in cassatie open (artikel 2:201a lid 2 BW).

Dit is een aparte procedure, niet gebaseerd op een verwijt, maar op de 95%-drempel. De gedachte is dat een grootaandeelhouder niet hoeft te blijven zitten met een klein restbelang. De rechter wijst de vordering tegen alle verweerders af als een verweerder ondanks de vergoeding ernstige stoffelijke schade zou lijden, een aandeel houdt waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap verbinden, of als de eiser tegenover een verweerder afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid (artikel 2:201a lid 4 BW). Die afwijzingsgronden zijn limitatief en moeten beperkt worden uitgelegd (HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117, r.o. 4.2). De rechter kan een of drie deskundigen laten berichten over de waarde en stelt de prijs vast op een door hem te bepalen dag; zolang en voor zover de prijs niet is betaald, wordt hij van die dag tot de overdracht verhoogd met rente gelijk aan de wettelijke rente, en uitkeringen op de aandelen in die periode strekken tot gedeeltelijke betaling van de prijs (artikel 2:201a lid 5 BW). Na een openbaar bod op een vennootschap waarvan aandelen tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, kent de wet een eigen uitkoopregeling: de bieder met ten minste 95% van het kapitaal en van de stemrechten moet de vordering binnen drie maanden na afloop van de aanmeldingstermijn instellen (artikel 2:359a en 2:359c lid 1 en 3 BW). Begrippen als deze vind je ook in ons Juridisch Woordenboek.

In het Versatel-arrest oordeelde de Hoge Raad dat een meerderheidsaandeelhouder met minder dan 95% niet in alle gevallen is uitgesloten van een constructie, zoals een juridische driehoeksfusie, waardoor de uitkoopregeling toepasselijk wordt. Of zo’n constructie jegens de minderheid onrechtmatig is, hangt af van de omstandigheden, waaronder de vraag of de minderheid onevenredig wordt benadeeld. Een fusiebesluit dat enkel en alleen strekt tot uitstoting van minderheidsaandeelhouders kan in strijd zijn met artikel 2:8 BW. De uitkoopregeling zelf is niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol en artikel 14 EVRM (HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117, r.o. 4.2-4.4). In de praktijk gaat de discussie vaak vooral over de hoogte van de prijs. Omgekeerd kan na een openbaar bod ook een minderheidsaandeelhouder de bieder dwingen zijn aandelen over te nemen, als de bieder ten minste 95% van het kapitaal en van de stemrechten heeft; ook die vordering moet binnen drie maanden na afloop van de aanmeldingstermijn worden ingesteld (artikel 2:359d lid 1 en 3 BW). Bij een bv of nv waarvan de aandelen of certificaten niet tot de handel op een gereglementeerde markt, een multilaterale handelsfaciliteit of een vergelijkbaar systeem buiten de EU zijn toegelaten, is de uittredingsregeling van artikel 2:343 BW de wettelijke route (artikel 2:336 BW).

Bij aandeelhoudersgeschillen bieden wet en rechtspraak dus een palet aan remedies: open normen (artikel 2:8 BW), vernietiging van besluiten (artikel 2:15 BW), uitstoting en uittreding (artikel 2:336a en 2:343 BW), de enquête (artikel 2:344 en volgende BW) en de uitkoop (artikel 2:92a en 2:201a BW). Deze instrumenten kunnen soms naast elkaar worden gebruikt. Een aandeelhoudersovereenkomst bepaalt vaak dat eerst mediation of arbitrage wordt geprobeerd (zie hieronder). Statuten of een overeenkomst kunnen een eigen geschillenregeling bevatten, maar op een afwijking van de wettelijke regeling kun je geen beroep doen voor zover die de overdracht van aandelen onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt (artikel 2:337 lid 1 BW).

Welke alternatieven zijn er voor de rechter?

Procedures bij de Ondernemingskamer of rechtbank kunnen kostbaar, langdurig en destructief voor de onderlinge verhoudingen zijn. Daarom wordt bij aandeelhoudersgeschillen vaak gekeken naar alternatieve vormen van geschiloplossing die sneller, flexibeler of minder formalistisch zijn:

Wanneer helpt mediation tussen aandeelhouders?

Mediation is een vorm van conflictoplossing waarbij partijen onder begeleiding van een neutrale derde (de mediator) zelf tot een oplossing proberen te komen. Het is laagdrempelig, vertrouwelijk en kan de relatie zoveel mogelijk behouden. Als aandeelhouders nog met elkaar in gesprek kunnen, is mediation vaak de eerste aangewezen route. Voordelen zijn onder meer dat het proces sneller en goedkoper is dan procederen, en dat partijen zelf de uitkomst bepalen. De kans op een oplossing is het grootst als beide partijen bereid zijn tot een compromis.

Een mediation kan uiteenlopen van het herstellen van de werkrelatie (zodat men samen doorgaat) tot het faciliteren van een nette scheiding. De “mooiste” uitkomst is natuurlijk dat de aandeelhouders hun samenwerking voortzetten in betere verstandhouding. Echter, soms blijkt tijdens mediation dat uit elkaar gaan onvermijdelijk is, de mediator kan dan helpen de voorwaarden van vertrek uit te onderhandelen (denk aan afspraken over verkoop van aandelen, prijsbepaling, eventuele voortzetting door de ander). Omdat mediation vrijwillig is, vraagt het wel dat alle betrokkenen willen meewerken; als één partij onwillig is of de verhoudingen totaal verziekt zijn, biedt mediation mogelijk geen soelaas.

Wanneer kies je voor arbitrage?

Arbitrage houdt in dat een geschil wordt voorgelegd aan een of meer particuliere scheidsrechters (arbiters) in plaats van de overheidsrechter. In aandeelhoudersovereenkomsten wordt soms een arbitragebeding opgenomen, vooral bij internationale joint ventures of bij investeerders, omdat men een gespecialiseerde en vertrouwelijke procedure wenst. Arbitrage heeft als voordeel dat de procedure vertrouwelijk is (geen openbare zitting of uitspraak), de arbiters deskundig gekozen kunnen worden (bijvoorbeeld ervaren ondernemingsrechtjuristen of accountants voor waarderingskwesties) en dat er vaak sneller een uitspraak is dan via de gewone rechter. Arbitraal hoger beroep is alleen mogelijk als partijen daarin bij overeenkomst hebben voorzien (artikel 1061b Rv).

Een aandachtspunt is de arbitrabiliteit: een overeenkomst tot arbitrage mag niet leiden tot de vaststelling van rechtsgevolgen die niet ter vrije bepaling van partijen staan (artikel 1020 lid 3 Rv). Een geschil tussen aandeelhouders onderling, of tussen aandeelhouder en vennootschap, over hun onderlinge rechten kan doorgaans wel via arbitrage worden beslist. Een arbitraal beding kan ook in de statuten staan (artikel 1020 lid 5 Rv). Voor uitstoting en uittreding bepaalt de wet uitdrukkelijk dat statuten of een overeenkomst arbitrage kunnen voorschrijven (artikel 2:337 lid 2 BW). Een arbitraal vonnis kun je in Nederland ten uitvoer leggen nadat de voorzieningenrechter daarvoor verlof heeft verleend (artikel 1062 lid 1 Rv). Arbitrage is nuttig als discretie en expertise gewenst zijn, maar kan kostbaarder zijn (partijen betalen de arbiters). Een enquête kan een scheidsgerecht niet gelasten: die is in de wet aan de Ondernemingskamer opgedragen (artikel 2:345 BW).

Hoe beslecht je een aandeelhoudersgeschil onderling?

Bindend advies lijkt op arbitrage in die zin dat partijen een derde om een beslissing vragen, maar het is informeler geregeld (een vaststellingsovereenkomst krachtens een aan een derde opgedragen beslissing, artikel 7:900 lid 2 BW). Partijen spreken af dat het oordeel van de derde bindend is voor hun onderlinge verhouding. In aandeelhoudersgeschillen wordt bindend advies geregeld toegepast voor bijvoorbeeld waarderingskwesties (bijvoorbeeld als de statuten of de aandeelhoudersovereenkomst bepalen dat een deskundige de waarde van de aandelen bij een exit bindend vaststelt; vragen partijen de Ondernemingskamer om de prijs vast te stellen, dan kunnen zij verklaren dat het deskundigenbericht tussen hen de werking van een vaststellingsovereenkomst heeft, artikel 2:343c lid 4 BW), of voor specifieke disputen waar men een snelle knoop doorhakt.

In statuten of aandeelhoudersovereenkomst kan expliciet bepaald zijn dat een conflict moet worden beslecht door bindend advies in plaats van de rechter. Een bindend adviseur kan bijvoorbeeld een M&A-adviseur zijn die beslist welke van twee biedende aandeelhouders de aandelen mag overnemen (solomons-oordeel), of een jurist die beoordeelt of een bepaald handelen in strijd is met de aandeelhoudersovereenkomst. Het grote voordeel is flexibiliteit en snelheid: de procedure kan op maat worden vormgegeven, en een bindend advies kan vaak snel worden verkregen. Ook hier geldt vertrouwelijkheid. Het nadeel kan zijn dat als de procedure niet goed is vastgelegd, er discussie kan ontstaan over de status van het advies (een ongeldig tot stand gekomen bindend advies kan door de rechter terzijde worden geschoven). Een bindend advies is in beginsel bindend. Het is vernietigbaar als gebondenheid eraan, in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 7:904 lid 1 BW). Wordt het vernietigd, blijkt het nietig of komt het niet binnen een redelijke termijn tot stand, dan kan de rechter zelf beslissen, tenzij uit de overeenkomst of de aard van de beslissing volgt dat het op andere wijze moet worden vervangen (lid 2). Met bindend advies behouden partijen meer controle en kunnen ze bijvoorbeeld bepalen wie de adviseur is en welke vraag exact wordt voorgelegd, wat handig kan zijn in familiebedrijven of gesloten settings waar men geen publieke procedure wil.

Naast deze formele ADR-vormen, bestaan ook informele methoden om tot een vergelijk te komen. Partijen kunnen bijvoorbeeld overeenkomen een deskundigenbeslissing te respecteren (bijvoorbeeld een accountant die beslist of er dividend kan worden uitgekeerd), of een mini-trial houden waarbij een derde een niet-bindend oordeel geeft om beweging in de zaak te krijgen. Ook wordt wel een “trusted third person” (vertrouwensman) aangesteld in families om te bemiddelen, wat lijkt op mediation maar dan meer vanuit de verhoudingen. Het belangrijkste is dat in veel aandeelhoudersovereenkomsten expliciet is bedongen dat eerst zo’n alternatieve route bewandeld moet worden, voordat men naar de rechter stapt. Dat moet escalatie voorkomen en de deur op een kier te houden voor minnelijke oplossing.

 ADR bij aandeelhoudersgeschillen

 Het inschakelen van mediation, arbitrage of bindend advies kan vaak escalatie voorkomen en is met name zinvol als partijen de samenwerking mogelijk willen voortzetten of tenminste in goede verstandhouding uit elkaar willen gaan. Arbitrage en bindend advies kunnen ook deel uitmaken van de op maat gemaakte geschillenregeling in statuten of contract. Zo’n preventief beding voorkomt niet alleen dat men meteen naar de rechter rent, maar kan ook een procedure bij de OK of rechtbank helemaal overbodig maken als het geschil via ADR wordt opgelost. Uiteraard, als deze alternatieven falen, biedt de gang naar de Ondernemingskamer of civiele rechter alsnog een ultieme uitkomst.

Wat zegt de rechtspraak over aandeelhoudersgeschillen?

De Nederlandse rechtspraak heeft in de loop der jaren belangrijke vuistregels ontwikkeld voor aandeelhoudersgeschillen. Enkele vooraanstaande uitspraken en hun betekenis:

  • Poot/ABP (HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, NJ 1995, 288) – Wordt een vennootschap door een derde benadeeld, door wanprestatie of onrechtmatig handelen tegenover de vennootschap, dan heeft alleen de vennootschap recht op vergoeding van die schade. Een aandeelhouder kan in beginsel geen eigen vordering instellen voor de waardevermindering van zijn aandelen (afgeleide schade). Hij heeft alleen recht op vergoeding van schade die hij als aandeelhouder lijdt, als die het gevolg is van schending van een specifiek jegens hem geldende zorgvuldigheidsverplichting. De Hoge Raad heeft die regel herhaald, ook toegepast op een bestuurder die tegenover de vennootschap tekortschiet, en bepaald dat hij niet geldt voor schade die de aandeelhouder op een andere manier lijdt, bijvoorbeeld als schuldeiser (HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419, r.o. 3.3 en 3.9). Voor een minderheidsaandeelhouder is een persoonlijke schadeclaim voor vennootschapsschade dus meestal niet de aangewezen weg.
  • Forumbank (HR 21 januari 1955, ECLI:NL:HR:1955:AG2033, NJ 1959, 43) – De algemene vergadering had besloten eigen aandelen van enkele aandeelhouders in te kopen, terwijl die bevoegdheid volgens wet en statuten uitsluitend aan de directie toekwam. Het hof oordeelde het besluit nietig; de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, omdat ook de algemene vergadering de bij wet en statuten getrokken grenzen van haar bevoegdheid niet mag overschrijden. Het arrest wordt vaak aangehaald om te benadrukken dat ook een meerderheid in de algemene vergadering gebonden is aan de bevoegdheidsverdeling in wet en statuten.
  • Ogem (HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990, 466) – Een enquête dient niet alleen voor sanering en herstel van gezonde verhoudingen, maar ook voor opening van zaken en de vaststelling wie verantwoordelijk is voor wanbeleid; bovendien kan van het enquêterecht een preventieve werking uitgaan. De Ondernemingskamer mag daarom volstaan met het oordeel dat van wanbeleid is gebleken, ook als de rechtspersoon in faillissement verkeert en herstel niet meer mogelijk is (r.o. 4.1). Het belang van aandeelhouders bij hun verzoek hoeft niet van vermogensrechtelijke aard te zijn (r.o. 4.2). Op één onderdeel, de projectontwikkeling, vernietigde de Hoge Raad het wanbeleidsoordeel wel.
  • Versatel (HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4117) – Het arrest is gewezen in een enquêteprocedure rond het openbaar bod op de beursgenoteerde Versatel: de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep tegen de afwijzing van de gevraagde onmiddellijke voorzieningen (zie ook hiervoor bij de uitkoopregeling). Een constructie waarbij een meerderheid via een juridische fusie de uitkoopregeling toepasselijk maakt, is niet op zichzelf ontoelaatbaar; of zij onrechtmatig is, hangt af van de omstandigheden, waaronder onevenredige benadeling van de minderheid. Een fusiebesluit dat enkel en alleen strekt tot uitstoting van minderheidsaandeelhouders, kan in strijd zijn met wat de redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 2:8 BW van het bestuur van een beursvennootschap jegens haar aandeelhouders vergen; in deze zaak was daarvan volgens de Ondernemingskamer geen sprake, omdat de fusie ook andere doelen diende, en dat oordeel hield in cassatie stand (r.o. 4.2 en 4.3).
  • Cancun (HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797) – Twee families hielden elk de helft van de aandelen in een joint-venturevennootschap, later elk 46,5% naast een aandeelhouder met 7%. Door een emissie in de Mexicaanse dochtervennootschap aan een van de joint-venturepartners verwaterde het belang van de vennootschap in die dochter. De Ondernemingskamer stelde wanbeleid vast; de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van een bestuurder. Het belang van een joint-venturevennootschap wordt mede bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. Hebben de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel, dan kan dat meebrengen dat de verhoudingen tussen hen niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is (r.o. 4.2.1). Bestuurders moeten, mede op grond van artikel 2:8 BW, zorgvuldigheid betrachten jegens alle betrokkenen; bij een joint venture kan dat een bijzondere zorgplicht meebrengen voor de positie van een aandeelhouder wiens belang verwatert (r.o. 4.2.2). Zonder statutaire grondslag hoeft het bestuur geen instructies van aandeelhouders op te volgen (r.o. 4.3).

Het kader hierboven geeft de belangrijkste lijnen: geen eigen vordering voor afgeleide schade (Poot/ABP), grenzen aan de bevoegdheid van de algemene vergadering (Forumbank), de brede doelen van de enquête (Ogem), uitkoop na een fusie onder voorwaarden (Versatel) en het vennootschapsbelang in een joint venture (Cancun). De zorgvuldigheid die bestuurders jegens alle betrokkenen moeten betrachten, verbindt de Hoge Raad in Cancun onder meer met het ASMI-arrest (HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976).

Deze jurisprudentie vormt voor advocaten en rechters een referentiekader bij nieuwe geschillen. Ieder conflict is feitelijk uniek, maar argumenten zullen vaak ondersteund worden met verwijzingen naar bovenstaande precedenten om bijvoorbeeld te betogen dat bepaald gedrag in strijd is met redelijkheid en billijkheid of dat juist een bepaalde ingreep geoorloofd is gegeven eerdere uitspraken.

Hoe voorkom je een aandeelhoudersgeschil?

Het spreekwoord “voorkomen is beter dan genezen” geldt bij aandeelhoudersgeschillen in het bijzonder. Het op voorhand inbouwen van goede afspraken en waarborgen kan veel ellende besparen. En als er toch een conflict ontstaat, zijn er praktische strategieën om escalatie te voorkomen of een snelle oplossing te faciliteren. Enkele belangrijke overwegingen:

Wat leg je vast in statuten en aandeelhoudersovereenkomst?

 Een solide aandeelhoudersovereenkomst (of bij oprichting vastgelegde statutaire regeling) is doorslaggevend. Hierin kunnen aandeelhouders op maat regelen hoe te handelen bij onenigheid. Veel voorkomende bepalingen zijn bijvoorbeeld: een aanbiedingsplicht (als iemand zijn aandelen wil verkopen, moet hij ze eerst aan de mede-aandeelhouders aanbieden), afspraken over stemrecht en beschermingsconstructies, en uiteraard geschillenregelingen. In zo’n geschillenbeding spreken partijen af wat er gebeurt bij een conflict. Dat kan variëren van verplichte mediation tot aan bindend advies of arbitrage (zie ADR hierboven) in plaats van de gewone rechter. Ook de procedure voor waardering van aandelen bij een exit wordt idealiter vastgelegd: hoe wordt de prijs bepaald, door wie, per welke datum? Duidelijkheid op deze punten voorkomt dat een meningsverschil over waarde of proces ontaardt in een vechtconflict. Verder kan een aandeelhoudersovereenkomst vetorechten of versterkte meerderheden voor bepaalde besluiten bevatten, wat minoriteiten bescherming biedt en hen serieus bij het beleid betrekt, dit kan conflictsituaties verminderen omdat minderheden niet geheel worden overvleugeld. Voor de meerderheid is het omgekeerd verstandig om voorwaarden vast te leggen waaronder zij hun plannen kunnen doorzetten zonder telkens door een kleine aandeelhouder gegijzeld te worden (bijv. drag-along-recht bij verkoop). Kortom, contractual governance vooraf is belangrijk: het verdeelt de macht evenwichtig en schetst spelregels voor lastige situaties.

Corporate governance en structuur

Onafhankelijk van formele contracten loont het om de governancestructuur van de vennootschap zó in te richten dat escalatie minder waarschijnlijk is. Enkele ideeën: benoem een onafhankelijke voorzitter van de RvC of RvA (Raad van Advies) in een familiebedrijf die bij spanningen kan bemiddelen. Zorg voor een oneven aantal bestuurders of een onafhankelijk derde bestuurder in een 50/50 joint venture, zodat bij onenigheid een patstelling voorkomen kan worden. Men kan ook stemovereenkomsten aangaan om bij bepaalde belangrijke beslissingen altijd gezamenlijk op te treden, zodat niemand voor verrassingen komt te staan. In familiebedrijven kan een familiestatuut of familieforum helpen: hierin worden familieleden betrokken bij grote beslissingen en worden verwachtingen gemanaged (bijv. omtrent dividend of opvolging), zodat minder snel frustratie ontstaat. Ten slotte is financiële planning onderdeel van governance: als het bedrijf liquiditeit opzij zet voor eventuele uitkoop van een aandeelhouder of een keyman-verzekering sluit voor het geval een drijvende kracht wegvalt, dan voorkomt men dat een exit onbetaalbaar wordt en daardoor het conflict blijft sudderen.

Communicatie en transparantie binnen de vennootschap

Veel geschillen ontstaan of escaleren door gebrekkige communicatie. Het bestuur (of meerderheidsaandeelhouder) doet er verstandig aan proactief informatie te delen met minderheidsaandeelhouders, ook buiten de wettelijke minima om, zeker in moeilijke tijden of bij grote veranderingen. Zo voorkom je wantrouwen en een gevoel van achterstelling. Bijvoorbeeld: betrek een minderheidsaandeelhouder tijdig bij het opstellen van een nieuw strategisch plan of licht uit waarom tijdelijk geen dividend wordt uitgekeerd (onderbouw met cijfers). Vanuit de minderheid is het belangrijk om zorgen kenbaar te maken op constructieve wijze en niet meteen met juridisch geschut te dreigen. Regelmatig formeel overleg (bv. kwartaalbijeenkomsten) en heldere notulen kunnen misverstanden voorkomen. In het digitale tijdperk kan men een besloten data-room of portal inrichten waar alle aandeelhouders relevante stukken kunnen inzien. Transparantie haalt de voedingsbodem voor geruchten en achterdocht weg. Dit klinkt misschien als een open deur, maar in de praktijk van familiebedrijven of MKB-BV’s wordt dit vaak onderschat en communiceert men te weinig, wat spanningen vergroot.

Welke exit-regelingen kun je opnemen?

Een doordachte exit-strategie afspreken kan toekomstige geschillen oplossen voordat ze ontstaan. Denk aan het opnemen van drag-along en tag-along clausules: als de meerderheid een goed bod krijgt, moet de minderheid meeverkopen (drag-along), en omgekeerd als de meerderheid verkoopt, mag de minderheid eisen mee te mogen verkopen tegen dezelfde prijs (tag-along), zodat niemand tegen zijn wil achterblijft. Ook meetrek- en meeverkooprechten kunnen zo’n transactie soepeler laten verlopen zonder dispuut. Voor deadlock-situaties zijn er speciale bedingen, bekend als “shotgun” of “Texas shoot-out”-clausules. Bijvoorbeeld: bij onoplosbare patstelling mag A een bod uitbrengen op de aandelen van B; B moet kiezen of hij dat bod accepteert (en zijn aandelen verkoopt) óf hetzelfde bod (of hoger) uitbrengt op de aandelen van A, waarmee A dan moet verkopen, net zo lang tot één partij verkoopt en de ander alles heeft. Zulke mechanismen zorgen ervoor dat er altijd een einde komt aan een deadlock, zij het dat ze financieel risicovol kunnen zijn (de partij met de diepste zakken wint vaak). Minder drastisch is een “Russische roulette”-clausule: partijen laten loten wie het eerst een koopprijs mag noemen waarop de ander moet beslissen te kopen of verkopen. Daarnaast bestaan “ruziesplitsing”-arrangementen: partijen verdelen het bedrijf of de activa zodanig dat ieder een deel voortzet (bijv. geografische splitsing of opdelen van merken). Dit is vooral bij familiebedrijven soms de elegantste oplossing: ieder gaat zijn eigen weg met een deel van de onderneming, waardoor de familievrede kan terugkeren. Kortom, door reeds bij de start of bij investeringsmomenten exit-afspraken te maken (of later, als de relatie goed is, alsnog vast te leggen), creëert men een pad naar oplossing mocht samenwerking onmogelijk worden.

Wanneer schakel je een advocaat in bij een aandeelhoudersconflict?

Ten slotte is een praktische overweging om niet te lang te wachten bij een zich aftekenend conflict. Hoe langer een ruzie doorsuddert, hoe meer posities verharden en hoe groter de schade (financieel én relationeel). Aandeelhouders doen er verstandig aan bij de eerste signalen van ernstige frictie een gesprek aan te gaan en eventueel een onafhankelijke derde (adviseur, accountant, mediator) te laten meekijken. Soms kan al in een vroeg stadium een herfinanciering, uitkoop of herallocatie van bevoegdheden worden geregeld die de escalatie voorkomt. Bestuurders in een conflictsituatie moeten vooral het vennootschappelijk belang voorop blijven stellen, anders kunnen zij in bepaalde gevallen persoonlijk aansprakelijk worden. In de praktijk zien we dat het dreigen met juridische stappen (zoals het sturen van een sommatiebrief die verwijst naar mogelijke enquête of uitstoting) kan werken als wake-up call voor de wederpartij, mits dit zorgvuldig en niet te vroeg gebeurt. Is de weg naar de rechter toch onvermijdelijk, dan is het raadzaam om specialisten in te schakelen: advocaten met ervaring in aandeelhoudersgeschillen, eventueel forensische accountants om financiële ongerechtigheden bloot te leggen, etc. Die kunnen ook helpen de juiste procedure te kiezen (gang naar Ondernemingskamer, kort geding, arbitrage, et cetera).

Veelgestelde vragen over aandeelhoudersgeschillen

Hoe los je een aandeelhoudersgeschil op?

Kijk eerst wat de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst regelen, en probeer overleg, mediation of een minnelijke exit. Lukt dat niet, dan kun je de Ondernemingskamer vragen om uitstoting (artikel 2:336a BW), uittreding (artikel 2:343 BW) of een enquête (artikel 2:345 BW). Sinds 1 januari 2025 start je uitstoting en uittreding met een verzoekschrift; voor zaken waarin de dagvaarding vóór die datum was betekend, geldt het oude recht (Stb. 2024, 174, artikel III).

Wanneer kan een aandeelhouder worden uitgestoten?

Als hij door zijn gedragingen, al dan niet als aandeelhouder, het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Het verzoek komt van aandeelhouders die alleen of samen ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen, en gaat naar de Ondernemingskamer (artikel 2:336a lid 1 BW).

Wanneer kan ik als aandeelhouder uittreden?

Als je door gedragingen van een of meer medeaandeelhouders zodanig in je rechten of belangen bent geschaad, dat het voortduren van je aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van je kan worden gevergd. Je vraagt de Ondernemingskamer dan de medeaandeelhouders, of de vennootschap, te bevelen je aandelen over te nemen (artikel 2:343 lid 1 BW). Hebben hun gedragingen de waarde van je aandelen verminderd, dan kun je een billijke verhoging van de prijs vragen (artikel 2:343 lid 3 BW).

Wie kan een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer starten?

Bij een bv of nv met een geplaatst kapitaal tot € 22,5 miljoen onder meer aandeelhouders of certificaathouders met samen ten minste een tiende van het geplaatste kapitaal of € 225.000 nominaal, of zoveel minder als de statuten bepalen (artikel 2:346 lid 1 BW). Je moet je bezwaren eerst schriftelijk aan het bestuur en de raad van commissarissen melden en hun redelijkerwijs de tijd geven (artikel 2:349 lid 1 BW). Een onderzoek volgt alleen als er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen (artikel 2:350 lid 1 BW).

Kan een minderheidsaandeelhouder worden uitgekocht?

Ja, door een aandeelhouder die voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal verschaft en, bij een bv, ook ten minste 95% van de stemrechten kan uitoefenen (artikel 2:201a lid 1 BW; voor de nv artikel 2:92a BW). De Ondernemingskamer wijst de vordering af als een van de drie afwijzingsgronden van lid 4 zich voordoet, en stelt anders de prijs vast (artikel 2:201a lid 4 en 5 BW).

Primaire bronnen

Advocatenkantoor voor aandeelhoudersgeschillen

Aandeelhoudersgeschillen zijn complex door de mix van juridische en menselijke factoren. Duidelijke afspraken vooraf, openheid en overleg, en als het misgaat het verstandig inzetten van wettelijke procedures of alternatieve geschilbeslechting, kunnen veel schade voorkomen. Sinds 1 januari 2025 gaan uitstoting en uittreding met een verzoekschrift rechtstreeks naar de Ondernemingskamer. Het is in ieders belang, van de aandeelhouders én de vennootschap, dat conflicten zoveel mogelijk worden voorkomen en, als ze toch ontstaan, adequaat en billijk worden opgelost.

Blijf op de hoogte van onze nieuwsberichten en events
Over welke onderwerpen wil je updates ontvangen?
In welke branche of sector ben je actief? (optioneel)

Waar ben je naar op zoek?