Contractuele opzeggings­regeling in duurovereenkomst strijdig met redelijkheid en billijkheid?

Gepubliceerd · bijgewerkt

Een duurovereenkomst is een overeenkomst waarin partijen zich verbinden tot doorlopende of steeds terugkerende prestaties, zoals een vervoers-, distributie- of dienstverleningscontract. Bevat de overeenkomst een opzegregeling, dan kun je in beginsel volgens die regeling opzeggen. De redelijkheid en billijkheid kunnen wel nadere eisen stellen, zoals het aanbod van een (schade)vergoeding (artikel 6:248 BW; HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763).

Wat is een duurovereenkomst?

Bij een duurovereenkomst verplichten één of beide partijen zich tot achtereenvolgende of doorlopende prestaties. Het Burgerlijk Wetboek kent geen algemene opzegregeling voor duurovereenkomsten. Voor sommige overeenkomsten geeft de wet wel een eigen regeling, zoals voor de overeenkomst van opdracht (artikel 7:408 BW) en de agentuurovereenkomst (artikel 7:437 BW). Voor andere, zoals de distributieovereenkomst, ontbreekt die; dan bepalen partijen zelf de opzegregeling.

Regelen wet en overeenkomst de opzegging niet en is de overeenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan, dan is zij in beginsel opzegbaar. De redelijkheid en billijkheid kunnen dan, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, een voldoende zwaarwegende grond, een bepaalde opzegtermijn of het aanbod van een (schade)vergoeding vereisen (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, r.o. 3.5.1). Is de overeenkomst voor bepaalde tijd aangegaan zonder tussentijdse opzegmogelijkheid, dan eindigt zij in beginsel pas aan het einde van de looptijd, tenzij de wet iets anders bepaalt.

Wat speelde er in de zaak DPD/Get Moving?

In deze zaak oordeelde de rechtbank Oost-Brabant op 2 februari 2022 (ECLI:NL:RBOBR:2022:307). Get Moving exploiteert een transportbedrijf voor pakketbezorging aan huis; DPD voert een expeditiebedrijf. Naast haar werk voor GLS en PostNL ging Get Moving in 2008 pakketten vervoeren voor DPD. Samen met een tweede vervoerder procedeerde zij tegen DPD. Partijen sloten meerdere raamovereenkomsten; de laatste dateert van 1 januari 2013. Die gold voor een jaar en werd telkens stilzwijgend met een jaar verlengd. Beide partijen konden de overeenkomst schriftelijk opzeggen tegen het einde van de maand, met een opzegtermijn van één maand.

Door de jaren heen nam het pakketvolume toe en ging Get Moving steeds meer routes (touren) voor DPD rijden. Partijen onderhandelden regelmatig over de tarieven, wat er vaak toe leidde dat DPD de tarieven verhoogde en nabetalingen deed. In 2016 en 2017 zegde Get Moving zelf enkele keren een aantal touren op. Op 28 november 2018 deelde DPD telefonisch mee dat zij de samenwerking opzegde. Per e-mail van dezelfde dag bevestigde DPD de opzegging tegen 1 januari 2019, met een opzegtermijn van één maand.

Volstaat een opzegtermijn van één maand?

Aan de orde is de vraag of DPD de raamovereenkomst gesloten met Get Moving ongeclausuleerd mocht opzeggen met toepassing van de contractueel overeengekomen opzegtermijn van één maand. Tussen partijen is niet in geschil dat de raamovereenkomsten kwalificeren als duurovereenkomsten gesloten voor onbepaalde tijd en dat die overeenkomsten door opzegging van DPD per 1 januari 2019 zijn geëindigd.

De rechtbank ging uit van het overzicht dat de Hoge Raad gaf in zijn arrest van 2 februari 2018 over een octrooilicentie (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, r.o. 3.6.2-3.6.5). Kort gezegd: voorzien wet en overeenkomst niet in een opzegregeling, dan is een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar. De redelijkheid en billijkheid kunnen, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, een voldoende zwaarwegende grond, een bepaalde opzegtermijn of het aanbod van een (schade)vergoeding vereisen. Ook als wet of overeenkomst wel een opzegregeling bevatten en daarvoor ruimte laten, kan artikel 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld. Daarnaast kan een beroep op een opzegbevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). Ten slotte kan een overeenkomst voor onbepaalde tijd naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar zijn. Daartegen kan de wederpartij zich onder omstandigheden beroepen op artikel 6:248 lid 2 BW en op onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW).

Waar beriep Get Moving zich op?

Get Moving stelde primair dat DPD op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) een langere opzegtermijn had moeten aanhouden, en dat DPD de schade moest vergoeden omdat zij dat niet deed. Subsidiair stelde zij dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was (artikel 6:248 lid 2 BW). De rechtbank begreep de vordering als een beroep op de beperkende werking: DPD zou zich niet op de opzegtermijn van één maand mogen beroepen zonder een langere termijn of een financiële vergoeding (r.o. 4.4).

Was de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

Volgens de rechtbank kon dat beroep alleen slagen als de wijze waarop DPD gebruikmaakte van de opzegregeling, gelet op de omstandigheden van het geval, onaanvaardbaar was.

De rechtbank stelt voorop dat zowel Get Moving als DPD, ondernemingen drijven en dat de tussen hen geldende overeenkomsten uitdrukkelijk voorzagen in de mogelijkheid tot opzegging ervan tegen het einde van de maand met een opzegtermijn van één maand. Hieruit volgt dat DPD de raamovereenkomsten zou kunnen opzeggen. Dit behoorde dan ook tot de normale bedrijfsrisico’s waarmee Get Moving rekening had te houden. Dat de samenwerking nadat de raamovereenkomsten zijn gesloten, is geïntensiveerd doet daar niets aan af. Het stond Get Moving vrij daarover nadere afspraken te maken met DPD. Dit heeft zij echter nagelaten. De rechtbank merkte daarbij op dat het Get Moving was die in 2016 en 2017 gebruik had gemaakt van haar mogelijkheid om touren van DPD op te zeggen.

Daarnaast neemt de rechtbank wel aan dat Get Moving afhankelijk was van de omzet die zij behaalde uit de samenwerking met DPD, maar is niet gebleken dat enige afhankelijkheid is ontstaan door toedoen van DPD. Tussen partijen is immers geen exclusiviteit overeengekomen, nu Get Moving ook werkzaamheden verrichtte voor GLS en PostNL. Get Moving heeft er zelf voor gekozen veel pakketten voor DPD te bezorgen. Daarbij komt dat door DPD nooit een omzetgarantie is afgegeven aan Get Moving. Voorzover Get Moving afhankelijk was van DPD behoort dat tot de normale bedrijfsrisico’s van Get Moving.

Dat Get Moving niet hoefde te verwachten dat DPD de overeenkomsten zou opzeggen doet hier volgens de rechtbank niets aan af. Weliswaar heeft Get Moving c.s. gesteld dat de enige reden van de opzegging door DPD de terugkerende onenigheid en de, soms stevige, onderhandelingen over de tarieven is, maar DPD heeft zulks gemotiveerd betwist onder andere door te verwijzen naar de inhoud van het door haar verstuurde e-mailbericht van 30 november 2018. In het licht daarvan had het op de weg van Get Moving gelegen nader te onderbouwen waarom voor haar de opzegging niet voorzienbaar was en door welke feiten en omstandigheden DPD bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen zou zijn gewekt dat de samenwerking zou worden voorgezet. Dat partijen al geruime tijd met elkaar samenwerkten en onderling nog altijd tot overeenstemming waren gekomen over de hoogte van de tarieven is daartoe onvoldoende. Door de rechtbank kan niet worden aangenomen dat de wijze waarop DPD gebruik heeft gemaakt van de opzeggingsbepaling in de raamovereenkomst, gelet op de omstandigheden van het geval, onaanvaardbaar is. Aan de beoordeling of de opzegging in strijd is met artikel 6:248 lid 1 BW komt de rechtbank dan niet toe.

Tot slot stelde Get Moving dat de opzegging, ook als DPD de termijn van één maand niet had hoeven te verlengen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Ook dat verwierp de rechtbank. Dat het voor Get Moving niet mogelijk was om in de drukke feestmaand december vervangende opdrachten te vinden is onvoldoende onderbouwd te meer, omdat Get Moving zelf heeft aangegeven dat er toen voldoende werk in haar branche voor handen was. Ook de stelling dat DPD gelet op artikel 28 (geschillenregeling) van de raamovereenkomsten gehouden was tot een redelijke en billijke oplossing te komen met Get Moving inzake een gerezen geschil tijdens de uitvoering of beëindiging van de overeenkomsten waaraan DPD volgens Get Moving geen medewerking heeft willen geven, baat haar niet. Een dergelijk beding houdt immers geen resultaatsverplichting in. De vorderingen van o.a. Get Moving zijn dan ook afgewezen door de rechtbank.

Hoe oordeelden het hof en de Hoge Raad over de opzegging?

Get Moving ging in hoger beroep. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch oordeelde dat de opzegregeling een leemte bevatte, omdat de samenwerking sterk was uitgebreid. Op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid had DPD volgens het hof een opzegtermijn van drie maanden (Get Moving) en twee maanden (de tweede vervoerder) moeten aanhouden. Opzeggen met één maand was volgens het hof een toerekenbare tekortkoming; de schade moest in een schadestaatprocedure worden begroot (Hof ‘s-Hertogenbosch 16 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:73).

De Hoge Raad vernietigde dat arrest (HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763). Uitgangspunt is dat een duurovereenkomst met een opzegregeling in beginsel op grond van die regeling opzegbaar is. Voor zover wet en overeenkomst daarvoor ruimte laten, kunnen de redelijkheid en billijkheid nadere eisen stellen: een voldoende zwaarwegende grond, een bepaalde opzegtermijn of het aanbod van een (schade)vergoeding. Ook kan een beroep op de opzegbevoegdheid onaanvaardbaar zijn (artikel 6:248 lid 2 BW) (r.o. 3.2).

Een overeengekomen opzegtermijn kan echter niet op grond van alleen de aanvullende werking buiten toepassing blijven en door een langere termijn worden vervangen. Het hof had moeten onderzoeken of het beroep van DPD op de termijn van één maand onaanvaardbaar was. Wel kan de aanvullende werking meebrengen dat wie opzegt, de wederpartij een (schade)vergoeding moet aanbieden. Bij de hoogte daarvan kan meetellen of een langere termijn is gegund. Die vergoeding hangt af van wat de redelijkheid en billijkheid in het concrete geval meebrengen, niet van een vergelijking met de situatie bij een langere termijn (r.o. 3.4). De Hoge Raad verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Veelgestelde vragen over de opzegging van een duurovereenkomst

Wat is een duurovereenkomst?

Een overeenkomst waarbij één of beide partijen zich verbinden tot achtereenvolgende of doorlopende prestaties, zoals een vervoers-, distributie-, licentie- of onderhoudscontract. Het Burgerlijk Wetboek kent geen algemene opzegregeling voor duurovereenkomsten; voor sommige soorten, zoals opdracht (artikel 7:408 BW) en agentuur (artikel 7:437 BW), geeft de wet een eigen regeling.

Kun je een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd opzeggen?

In beginsel wel, ook als de overeenkomst geen opzegregeling bevat. De redelijkheid en billijkheid kunnen wel een voldoende zwaarwegende grond, een opzegtermijn of het aanbod van een (schade)vergoeding vereisen (artikel 6:248 lid 1 BW; HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, r.o. 3.5.1). Naar de bedoeling van partijen kan een overeenkomst ook niet-opzegbaar zijn.

Welke opzegtermijn geldt bij een duurovereenkomst?

In de eerste plaats de termijn uit de overeenkomst. Een algemene wettelijke termijn bestaat niet. Voor een agentuurovereenkomst voor onbepaalde tijd (of voor bepaalde tijd met recht van tussentijdse opzegging) geldt zonder afspraak vier maanden, plus één maand na drie jaar en twee maanden na zes jaar looptijd. Een afgesproken termijn is ten minste een maand in het eerste jaar, twee maanden in het tweede jaar en drie maanden daarna, en voor de principaal niet korter dan voor de handelsagent. Opzeggen gebeurt tegen het einde van een kalendermaand (artikel 7:437 BW). Is niets geregeld, dan kan de redelijkheid en billijkheid een bepaalde termijn vereisen. Een overeengekomen termijn kan niet op grond van alleen de aanvullende werking door een langere worden vervangen (HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763, r.o. 3.4).

Kun je een duurovereenkomst voor bepaalde tijd tussentijds opzeggen?

In beginsel alleen als de overeenkomst of de wet dat toelaat. Bij een overeenkomst van opdracht kan de opdrachtgever te allen tijde opzeggen (artikel 7:408 lid 1 BW); partijen kunnen daarvan afwijken, behalve ten nadele van een particuliere opdrachtgever (artikel 7:413 lid 2 BW). Schiet de wederpartij tekort, dan kan ontbinding mogelijk zijn (artikel 6:265 BW). Bij onvoorziene omstandigheden kan de rechter de overeenkomst wijzigen of ontbinden (artikel 6:258 BW).

Wat besliste de Hoge Raad in de zaak DPD/Get Moving?

Dat het hof de contractuele opzegtermijn van één maand niet op grond van alleen de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid mocht vervangen door een langere termijn. Het hof had moeten onderzoeken of het beroep van DPD op die termijn onaanvaardbaar was (artikel 6:248 lid 2 BW). De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763, r.o. 3.4).

Primaire bronnen

Wanneer schakel je een advocaat duurovereenkomsten in?

Mocht je van plan zijn om een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd op te zeggen of word je geconfronteerd met de opzegging hiervan door je contractspartij, dan kunnen onze advocaten je ondersteunen, adviseren en zo nodig, bijstaan in een procedure voor de civiele rechter.

Blijf op de hoogte van onze nieuwsberichten en events
Over welke onderwerpen wil je updates ontvangen?
Wie ben je?
In welke branche of sector ben je actief? (optioneel)

Waar ben je naar op zoek?