Regelgeving over afvalverwerking

Gepubliceerd · bijgewerkt

De hoofdregels voor afval staan in hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer, dat onder meer de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen uitvoert, met de afvalhiërarchie van artikel 10.4 Wm. Sinds 1 januari 2024 regelt de Omgevingswet met het Besluit activiteiten leefomgeving de milieuregels voor afvalbedrijven, zoals vergunningplicht en opslagtermijnen (artikel 4.431d Bal). Sinds 30 december 2025 vervangt het Circulair Materialenplan het LAP3. Ons team adviseert ook over productregelgeving ce markering.

De afvalverwerkingsbranche werkt binnen een juridisch kader dat voortdurend verandert en de overgang naar een circulaire economie stuurt. Dat kader bepaalt onder meer wanneer een afvalstof geen afval meer is en als product kan worden hergebruikt (artikel 1.1 lid 6 Wm).

Welke kernwetten bepalen afvalverwerking in Nederland?

Het juridisch kader voor afvalverwerking rust op de Wet milieubeheer (hoofdstuk 10, afvalstoffen), de Omgevingswet met de bijbehorende besluiten en productgerichte regels zoals het Besluit beheer verpakkingen 2014. Samen regelen ze vergunningplichten, verwerkingswijzen en opslagtermijnen voor verschillende afvalstromen.

Nederlandse afvalwetgeving stelt strikte voorwaarden aan opslag en verwerking. Bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen mag je in beginsel alleen afgeven aan iemand die bevoegd is ze in te zamelen, te vervoeren, te verhandelen, nuttig toe te passen of te verwijderen (artikel 10.37 Wm). De opslagtermijnen staan in het Besluit activiteiten leefomgeving: afvalstoffen worden voorafgaand aan nuttige toepassing, zoals recycling, niet langer dan drie jaar opgeslagen en voorafgaand aan verwijdering, zoals storten, niet langer dan een jaar (artikel 4.431d Bal). Overschrijding kan leiden tot handhavend optreden door het bevoegd gezag.

De Omgevingswet bundelt veel bestaande regels in één stelsel, maar het afvalstoffenhoofdstuk van de Wet milieubeheer is blijven bestaan. Het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval is per 1 januari 2024 vervallen; het mobiel breken van bouw- en sloopafval valt nu onder afdeling 7.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 7.27 e.v. Bbl). Dat raakt veel afvalverwerkende bedrijven in sectoren als bouw, sloop, metaal en schroot.

Wat zijn de vergunningvereisten voor afvalbedrijven?

Voor veel afvalbeheeractiviteiten heb je een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit nodig; het Besluit activiteiten leefomgeving wijst aan welke activiteiten vergunningplichtig zijn (artikel 5.1 lid 2 Omgevingswet, zie bijvoorbeeld artikel 3.40 Bal). In bepaalde gevallen wordt aan de vergunning de verplichting verbonden om financiële zekerheid te stellen (artikel 13.5 Omgevingswet).

Verplicht is financiële zekerheid onder meer bij het storten van afvalstoffen op een stortplaats (voor de bovenafdichting), bij een Seveso-inrichting en bij bepaalde chemische ippc-installaties (artikel 8.6 lid 1 Omgevingsbesluit). Voor onder meer ippc-installaties voor afvalverwerking en het storten van bedrijfs- of gevaarlijk afval kan het bevoegd gezag financiële zekerheid eisen; het houdt dan onder meer rekening met je financiële draagkracht en de verwachte schade (artikel 8.5 en 8.8 Omgevingsbesluit). Ondernemers in Amsterdam en omstreken krijgen, afhankelijk van de activiteit, te maken met toezicht door de gemeente of de provincie.

Vergunningstrajecten voor afvalverwerkingsbedrijven omvatten meerdere aspecten:

  • Milieuregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (het Activiteitenbesluit milieubeheer is per 1 januari 2024 vervallen)
  • Luchtkwaliteitseisen en geluidsnormen
  • Bodembeschermingsvoorschriften
  • Energiezuinigheidsvereisten
  • Veiligheidseisen bij gevaarlijke afvalstoffen

Een voorbeeld: een recyclingbedrijf in Amsterdam wil uitbreiden met een sorteerhal voor bouw- en sloopafval. Dan kunnen aanvullende geluidsmetingen, een stofemissieonderzoek en aangepaste opslagvoorzieningen nodig zijn. Houd er rekening mee dat zo’n traject, inclusief bezwaar en beroep, maanden kan duren.

Hoe werkt de einde-afval bepaling onder Nederlandse wetgeving?

Een afvalstof die een behandeling van recycling of andere nuttige toepassing heeft ondergaan, is geen afvalstof meer als de stof bestemd is voor specifieke doelen, er een markt of vraag naar is, de stof voldoet aan de technische voorschriften en de voor producten geldende wetgeving en normen, en het gebruik over het geheel genomen geen ongunstige effecten heeft voor milieu of gezondheid (artikel 1.1 lid 6 Wm; artikel 6 lid 1 Kaderrichtlijn afvalstoffen).

In de praktijk moet je als ondernemer kunnen onderbouwen dat je product geen afval meer is. Wie een materiaal na de einde-afvalfase voor het eerst gebruikt of in de handel brengt, moet ervoor zorgen dat het voldoet aan de toepasselijke stoffen- en productwetgeving (artikel 6 lid 5 Kaderrichtlijn afvalstoffen). Voor recyclingbedrijven vormt deze bepaling een kritieke drempel richting circulaire economie, waarbij materialen hun waarde behouden.

Voor sommige afvalstromen gelden Europese einde-afvalcriteria, of kan de minister landelijke criteria vaststellen bij ministeriële regeling (artikel 6 lid 2 en 3 Kaderrichtlijn afvalstoffen; artikel 1.1 lid 7 Wm). Ontbreken zulke criteria, dan kan per geval worden beoordeeld of een afvalstof de afvalfase heeft verlaten (artikel 6 lid 4 Kaderrichtlijn afvalstoffen). Zo’n beoordeling geeft zekerheid voor die specifieke situatie, maar geen regel voor de hele markt.

Welke regelgeving geldt voor specifieke afvalstromen?

Verschillende afvalstromen kennen eigen voorschriften. De gemeente regelt de inzameling van huishoudelijk afval, zoals gescheiden gft, in de afvalstoffenverordening of het omgevingsplan (artikel 10.23 Wm; afzonderlijke inzameling: artikel 10.21 lid 4 Wm). Voor bouw- en sloopafval geeft het Besluit bouwwerken leefomgeving regels over scheiden op de bouwplaats en over mobiel breken, waaronder stofemissie (artikel 7.25, 7.26 en 7.39a Bbl).

Recycling van plastic, metalen verpakkingen en drinkpakken (pmd-afval) gebeurt via bronscheiding of nascheiding. Bij bronscheiding leveren consumenten pmd gescheiden in, terwijl nascheiding betekent dat afvalverwerkers pmd uit restafval halen. Bronscheiding vermindert aanhangend vuil aanzienlijk, waardoor meer plastic geschikt blijft voor hoogwaardige recycling.

Nederlandse regelgeving onderscheidt deze categorieën:

  1. Gevaarlijk afval met specifieke meldingsplichten
  2. Bedrijfsafval met gescheiden inzamelingplicht vanaf bepaalde hoeveelheden
  3. Bouw- en sloopafval, dat in vaste fracties moet worden gescheiden (artikel 7.25 en 7.26 Bbl)
  4. Elektrische en elektronische apparatuur onder de WEEE-richtlijn, in Nederland uitgewerkt in de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
  5. Verpakkingsafval, met uitgebreide producentenverantwoordelijkheid op grond van het Besluit beheer verpakkingen 2014

Voor metaalrecycling geldt bovendien regelgeving onder de Omgevingswet die opslagvoorschriften verbindt aan brandveiligheid en bodemkwaliteit. Naleving van die regels heeft directe invloed op de continuïteit van de bedrijfsvoering.

Wat zijn de handhavingsinstrumenten bij overtredingen?

Het bevoegd gezag kan een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom opleggen (artikel 5:21 en 5:32 Awb) en in sommige gevallen een bestuurlijke boete. Overtreding van onder meer de artikelen 10.1 en 10.37 Wm is een economisch delict (artikel 1a Wet op de economische delicten). Strafrechtelijke vervolging ligt voor de hand bij ernstige overtredingen, zoals milieuvervuiling of illegale afvaltransporten.

Overtredingen leiden meestal tot oplopende handhaving. Gemeenten en provincies werken daarbij met hun VTH-beleid (vergunningverlening, toezicht en handhaving). Bij overschrijding van opslagtermijnen volgt vaak eerst een waarschuwing en daarna een last met een termijn om de overtreding te herstellen (artikel 5:24 Awb). Blijft herstel uit, dan verbeurt de dwangsom of kan het bestuursorgaan de maatregel zelf uitvoeren (artikel 5:21 Awb). De hoogte van een dwangsom wordt per besluit bepaald.

Ernstige overtredingen zoals illegale stortingen of het verbranden van afval zonder vergunning kunnen tot strafrechtelijke vervolging leiden. Een veroordeling voor een economisch delict kan een geldboete, een taakstraf of een vrijheidsstraf (gevangenisstraf bij een misdrijf, hechtenis bij een overtreding) opleveren (artikel 6 WED).

Een voorbeeld: krijgt een recyclingbedrijf een last onder dwangsom omdat metaalschroot langer dan drie jaar is opgeslagen, dan kan het de voorraad tijdig laten afvoeren voor nuttige toepassing. Het bevoegd gezag beslist of handhaving wordt opgeschort als het bedrijf de situatie aantoonbaar herstelt.

Hoe beïnvloedt de SUP-richtlijn Nederlandse afvalwetgeving?

De Europese richtlijn kunststofproducten voor eenmalig gebruik (Richtlijn (EU) 2019/904) verplicht lidstaten sinds 3 juli 2021 om onder meer plastic rietjes, bestek en borden van de markt te weren (artikel 5 en 17). In Nederland staat dat verbod in artikel 2 van het Besluit kunststofproducten voor eenmalig gebruik. Sinds 1 juli 2023 moet je voor plastic wegwerpbekers en -voedselverpakkingen om mee te nemen of te bezorgen een meerprijs rekenen (artikel 2.2 Regeling kunststofproducten voor eenmalig gebruik).

Voor consumptie ter plaatse geldt sinds 1 januari 2024 een verbod op plastic wegwerpbekers en -voedselverpakkingen, tenzij de exploitant dit vooraf aan de minister heeft gemeld en aantoonbaar een minimumpercentage inzamelt voor hoogwaardige recycling: 75 procent in 2024, oplopend tot 90 procent vanaf 2027 (artikel 2.1 lid 2 en 3 Regeling). Uitzonderingen gelden onder meer bij een gelijkwaardige gemeentelijke verordening en in bepaalde zorginstellingen (lid 4). Waar eten of drinken ter plekke wordt bereid, moet je bij meenemen ook een herbruikbaar alternatief aanbieden, tenzij de klant zonder verpakking of met een eigen beker of bakje mag meenemen (artikel 2.2 lid 2 Regeling). Sinds 3 juli 2024 moeten doppen en deksels van plastic drankverpakkingen tot 3 liter tijdens het beoogde gebruik aan de verpakking vast blijven zitten (artikel 15c Besluit beheer verpakkingen 2014).

Ook biogebaseerde, composteerbare en biologisch afbreekbare kunststoffen kunnen onder de richtlijn vallen. Alleen natuurlijke polymeren die niet chemisch zijn gewijzigd, gelden niet als kunststof (artikel 3, punt 1, Richtlijn (EU) 2019/904). Is een product wel kunststof in deze zin, dan gelden dezelfde beperkingen als voor conventionele plastics.

Wil je juridische zekerheid over naleving van afvalregelgeving voor je onderneming? Gespecialiseerde advocaten in milieurecht analyseren je situatie, adviseren over vergunningvereisten en begeleiden vergunningstrajecten in Amsterdam en heel Nederland.

Welke rol speelt het Circulair Materialenplan in toekomstige regelgeving?

Het Circulair Materialenplan (CMP) is op 30 december 2025 in werking getreden en vervangt het Landelijk afvalbeheerplan (LAP3) (Kamerstukken II 2025/26, 30872, nr. 321). De minister moet ten minste eenmaal in de zes jaar zo’n plan vaststellen (artikel 10.3 Wm).

Het ontwerp-CMP lag van 8 januari tot en met 18 februari 2025 ter inzage voor zienswijzen. Volgens de regering stuurt het CMP meer dan het LAP3 op hoogwaardige verwerking van afvalstromen, geeft het meer informatie over de voorkant van de keten (ontwerp, productie en hergebruik) en krijgt het een stevigere juridische basis.

Het bevoegd gezag moet bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden met betrekking tot afvalstoffen rekening houden met het geldende CMP (artikel 10.14 lid 1 Wm). Ga daarom voor je eigen afvalstroom na wat het CMP zegt over onder meer:

  • Verscherpte kwaliteitseisen voor gerecyclede materialen
  • Nieuwe definities voor afvalscheidingsverplichtingen
  • Aangepaste normering voor einde-afval per materiaalstroom
  • Stimuleringsregelingen voor vernieuwende recyclingtechnieken
  • Strengere handhaving op afvalexport buiten EU

De regering wil dat Nederland in 2050 circulair is. Het CMP is daarvoor een van de instrumenten. Juridische advisering helpt bedrijven compliance te waarborgen terwijl zij circulaire businessmodellen ontwikkelen.

Wat zijn de juridische aspecten van bron- versus nascheiding?

Bij bronscheiding bieden huishoudens pmd-afval apart aan; bij nascheiding halen afvalverwerkers pmd uit het restafval. De gemeente bepaalt welk systeem geldt en kan besluiten bestanddelen van huishoudelijk afval afzonderlijk in te zamelen (artikel 10.21 lid 4 en 10.23 Wm). Dat heeft invloed op de afvalstoffenheffing en de verwerkingskosten (artikel 15.33 Wm).

Gemeenten kiezen hun inzamelingsysteem binnen rijkskaders. Bronscheiding levert vaak schoner afval op; nascheiding vraagt geavanceerde sorteerinstallaties. Welke methode de beste kwaliteit en de laagste kosten oplevert, hangt af van de afvalstroom en de sorteertechniek.

Juridische aspecten omvatten:

  • Gemeentelijke bevoegdheid tot vaststelling inzamelwijze
  • Afvalstoffenheffing gekoppeld aan gekozen systeem
  • Handhavingbevoegdheden bij onjuiste scheiding
  • Aansprakelijkheid voor vervuilde afvalstromen
  • Contractuele afspraken tussen gemeenten en inzamelaars

Diftar-systemen koppelen afvalstoffenheffing aan geproduceerd restafval via volume, gewicht of inleverfrequentie. Gemeenten met diftar melden vaak minder restafval per huishouden. Een mogelijk nadeel is meer illegale dumping, wat extra handhaving vraagt.

Hoe werken opslagtermijnen onder de Omgevingswet?

Afvalstoffen worden voorafgaand aan nuttige toepassing niet langer dan drie jaar en voorafgaand aan verwijdering niet langer dan een jaar opgeslagen (artikel 4.431d Besluit activiteiten leefomgeving). Dat artikel bevat geen verlengingsmogelijkheid. Laat daarom vooraf toetsen of in jouw situatie, bijvoorbeeld via een vergunning- of maatwerkvoorschrift, iets anders kan gelden.

Deze termijnen borgen dat afval tijdig wordt verwerkt en geen onbeperkte opslagrisico’s ontstaan. Juridisch verschilt opslagduur per verwerkingsdoel, waarbij recycling langere opslag rechtvaardigt vanwege marktfluctuaties en minimale verwerkingshoeveelheden.

Dreigt de termijn te worden overschreden, zorg dan in elk geval voor:

  1. Concrete verwerkingsplannen met contractuele afspraken
  2. Financiële zekerheid voor verwerkingskosten
  3. Milieuhygiënische verantwoording opslagwijze
  4. Inzicht in de marktomstandigheden die de afvoer vertragen
  5. Maatregelen tegen risico’s voor de omgeving

Een voorbeeld: een sloopbedrijf in Amsterdam verzamelt betonpuin voor recycling tot betongranulaat. Vertraagt de afname, dan dreigt de termijn van drie jaar te worden overschreden. Het bedrijf moet dan tijdig afvoeren of vooraf met het bevoegd gezag overleggen; anders riskeert het handhaving.

Heb je vragen over opslagtermijnen, vergunningplichten of handhaving binnen afvalregelgeving? Neem contact op met gespecialiseerde advocaten in milieurecht voor juridisch advies over je specifieke situatie en proactieve compliance-strategieën.

Welke regelgeving geldt voor export van afvalstoffen?

Sinds 21 mei 2026 geldt voor de overbrenging van afvalstoffen Verordening (EU) 2024/1157; de oude Verordening (EG) nr. 1013/2006 is ingetrokken, met overgangsrecht voor kennisgevingen die vóór die datum zijn bevestigd en voor de uitvoer van niet-gevaarlijk afval naar niet-OESO-landen tot 21 mei 2027 (artikel 85 en 86). Voor afvalstoffen bestemd voor verwijdering en voor onder meer gevaarlijke afvalstoffen geldt de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming (artikel 4). Voor andere afvalstromen gelden algemene informatie-eisen (artikel 18).

Voor export buiten de EU gelden extra beperkingen. Export van afvalstoffen voor verwijdering is verboden, behalve onder voorwaarden naar EFTA-landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel (artikel 37). Export van gevaarlijke en bepaalde andere afvalstoffen voor nuttige toepassing naar landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, is verboden (artikel 39).

Juridische stappen bij afvalexport omvatten:

  • Classificatie afvalstroom volgens Europese afvalstoffenlijst
  • Elektronische kennisgeving via het centrale systeem van de EU (artikel 27)
  • Akkoord van autoriteiten doorvoer- en bestemmingslanden
  • Financiële zekerheid of een gelijkwaardige verzekering voor transport, verwerking en opslag (artikel 7)
  • Bewijs van milieuhygiënisch verantwoorde verwerking

Bij een illegale overbrenging moet de kennisgever de afvalstoffen in beginsel terugnemen, en worden de kosten van terugname, verwerking en opslag aan hem in rekening gebracht (artikel 25 en 26). Daarnaast kan strafrechtelijke vervolging volgen. In Nederland is de minister de bevoegde autoriteit (artikel 10.58 Wm); de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op afvalstromen.

Exporteert een recyclingbedrijf kunststofafval zonder correcte kennisgeving, dan kan de Douane de zending onderscheppen. Naast mogelijke sancties komen de kosten van terugname in beginsel voor rekening van de exporteur als kennisgever (artikel 26 Verordening (EU) 2024/1157), en de procedure die daarop volgt kan de bedrijfsvoering maandenlang ophouden.

Wat zijn de juridische aspecten van microplastics in afvalverwerking?

Sinds 17 oktober 2023 beperkt een Europese REACH-restrictie het in de handel brengen van opzettelijk toegevoegde microplastics (synthetische polymeermicrodeeltjes), met overgangstermijnen voor bepaalde producten, zoals cosmetica (Verordening (EU) 2023/2055, vermelding 78 van bijlage XVII bij REACH). Dat verbod komt dus niet uit de SUP-richtlijn. Voor afvalverwerkingsbedrijven kunnen voorschriften gelden ter voorkoming van microplasticemissies, vooral bij kunststofverwerking en compostering.

Microplastics zijn plastic deeltjes kleiner dan 5 millimeter die vrijkomen bij slijtage, uiteenvallen of als bewuste toevoeging in producten. Jaarlijks belandt substantieel aantal tonnen microplastics in Nederlands milieu via rioolwaterzuivering, landbouw en zwerfafval. Afvalverwerkingbedrijven dragen verantwoordelijkheid voor preventie tijdens sorterings- en verwerkingprocessen.

Afhankelijk van de vergunning en de activiteit kunnen onder meer deze eisen gelden:

  • Emissiebeperkende voorzieningen bij kunststofverwerking
  • Kwaliteitseisen compost met maximale kunststofconcentraties
  • Lozingsvergunningen met normen voor microplasticgehaltes
  • Monitoring en rapportage van emissies
  • Preventieve maatregelen volgens beste beschikbare technieken

Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat microplastics in menselijk bloed, longen en placenta aanwezig zijn. Hoewel gezondheidseffecten nog onderzocht worden, volgt juridische regelgeving het voorzorgsprincipe waarbij emissies preventief worden beperkt. RIVM monitoreert gezondheidsrisico’s waardoor toekomstige aanscherping van normen verwacht wordt.

Hoe verhouden aanbestedingsprocedures zich tot afvalverwerking?

Overheidsopdrachten voor afvalinzameling en -verwerking vallen onder de Aanbestedingswet 2012. De geraamde waarde van de opdracht ten opzichte van de Europese drempelwaarden bepaalt of een Europese procedure verplicht is.

De aanbestedende dienst gunt op basis van de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI), in beginsel op grond van de beste prijs-kwaliteitverhouding (artikel 2.114 Aanbestedingswet 2012). Naast de prijs kunnen dan duurzaamheid, recyclingpercentages en sociale aspecten meewegen. Na de gunningsbeslissing geldt een opschortende termijn van ten minste 20 kalenderdagen voordat de overeenkomst mag worden gesloten (artikel 2.127). Wil je de gunning aanvechten, dan moet je dus snel handelen, meestal in kort geding.

Praktische aandachtspunten bij aanbestedingen:

  1. Verificatie geschiktheidseisen zoals vergunningen en certificeringen
  2. Realistische prijsstelling binnen marktconforme bandbreedtes
  3. Onderbouwing duurzaamheidsambities met concrete maatregelen
  4. Naleving arbeidsvoorwaarden en cao-verplichtingen
  5. Financiële waarborgen via bankgaranties

Een voorbeeld: wordt een afvalbedrijf afgewezen omdat zijn duurzaamheidsplan onvoldoende zou zijn onderbouwd, dan kan het binnen de opschortende termijn een kort geding beginnen en een nieuwe beoordeling vorderen. Of dat slaagt, hangt af van de aanbestedingsstukken en de motivering van de gunningsbeslissing.

Welke arbeidsrechtelijke aspecten zijn relevant voor afvalbedrijven?

Welke cao op een afvalbedrijf van toepassing is, hangt af van de hoofdactiviteit, bijvoorbeeld afvalbeheer, metaalrecycling of bouw en sloop, en van de vraag of je aan die cao gebonden bent of dat die algemeen verbindend is verklaard. Geldt een cao, dan pas je de bijbehorende arbeidsvoorwaarden, pensioenregeling en opleidingsafspraken toe.

Juridische geschillen ontstaan regelmatig over toepasselijke cao bij mengvormen van activiteiten. Metalrecyclingbedrijven met afvaltransport vallen bijvoorbeeld onder verschillende regelingen afhankelijk van hoofdactiviteit. Onjuiste cao-toepassing kan leiden tot nabetalingen over meerdere jaren.

Arbeidsrechtelijke aandachtspunten omvatten:

  • Arbo-verplichtingen bij gevaarlijke stoffen en machines
  • Scholingsverplichtingen voor certificaatplichtige functies
  • Werktijdenregeling bij 24/7 operaties
  • Detacheringsregelingen bij inzet flexkrachten
  • Pensioenopbouw via bedrijfstakpensioenfondsen

Toezicht ligt bij de Nederlandse Arbeidsinspectie, met aandacht voor arbeidsomstandigheden in risicovolle sectoren. Overtredingen kunnen leiden tot een boete. Werk je met onderaannemers, dan ben je als opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk voor het loon van hun werknemers, tenzij je aannemelijk maakt dat jou niet kan worden verweten dat het loon niet is betaald (artikel 7:616a BW).

Arbeidsrechtelijke compliance vormt belangrijk onderdeel van bedrijfsvoering waarbij juridische advisering preventief inzetbaar is voor cao-interpretatie, reorganisaties en arbeidsconflicten.

Veelgestelde vragen over regelgeving voor afvalverwerking

Hoe lang mag je afval opslaan?

Voorafgaand aan nuttige toepassing, zoals recycling, ten hoogste drie jaar; voorafgaand aan verwijdering, zoals storten, ten hoogste een jaar (artikel 4.431d Besluit activiteiten leefomgeving).

Wanneer is afval geen afval meer?

Als het een behandeling van recycling of andere nuttige toepassing heeft ondergaan en bestemd is voor specifieke doelen, er een markt of vraag naar is, het voldoet aan de technische voorschriften en productwetgeving, en het gebruik over het geheel genomen geen ongunstige effecten heeft voor milieu of gezondheid (artikel 1.1 lid 6 Wet milieubeheer).

Geldt het LAP3 nog?

Nee. Sinds 30 december 2025 geldt het Circulair Materialenplan, dat het LAP3 vervangt (Kamerstukken II 2025/26, 30872, nr. 321). Een circulair materialenplan geldt in beginsel zes jaar (artikel 10.12 lid 2 Wet milieubeheer).

Welke regels gelden sinds 21 mei 2026 voor de export van afval?

Verordening (EU) 2024/1157 betreffende de overbrenging van afvalstoffen. Die vervangt Verordening (EG) nr. 1013/2006, die nog geldt voor kennisgevingen die vóór 21 mei 2026 door de autoriteit van bestemming zijn bevestigd; artikel 37 van die oude verordening (uitvoer van niet-gevaarlijk afval voor nuttige toepassing naar niet-OESO-landen) blijft van toepassing tot 21 mei 2027 (artikel 85 lid 2 en 3).

Wanneer moet een afvalbedrijf financiële zekerheid stellen?

Als de activiteit valt onder de gevallen van artikel 8.6 lid 1 Omgevingsbesluit, zoals het storten op een stortplaats (voor de bovenafdichting), een Seveso-inrichting of bepaalde chemische ippc-installaties, wordt aan de omgevingsvergunning een voorschrift over financiële zekerheid verbonden. In andere aangewezen gevallen, zoals ippc-installaties voor afvalverwerking, kan het bevoegd gezag dat doen (artikel 8.5 Omgevingsbesluit; artikel 13.5 Omgevingswet).

Primaire bronnen

Advocaten gespecialiseerd in regelgeving over afval

Blijf op de hoogte van onze nieuwsberichten en events
Over welke onderwerpen wil je updates ontvangen?
Wie ben je?
In welke branche of sector ben je actief? (optioneel)

Waar ben je naar op zoek?