Email  |   +31 20 – 210 31 38  |    DE    |    EN

Contractenrecht

blokje-maak-1-1.png

Wanneer ben je als partij in schuldeisersverzuim?

Inhoudsopgave

Ontbinding van een overeenkomst is niet mogelijk wanneer de partij die de ontbinding inroept zelf in verzuim is ten aanzien van dezelfde verbintenis. Artikel 6:266 BW beschermt de schuldenaar tegen ontbinding door een schuldeiser die zijn eigen verplichtingen niet is nagekomen. Deze regel voorkomt dat een partij voordeel haalt uit de eigen nalatigheid.

Wat houdt artikel 6:266 BW precies in?

Artikel 6:266 lid 1 BW bepaalt dat geen ontbinding kan worden gegrond op een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis ten aanzien waarvan de schuldeiser zelf in verzuim is. Deze bepaling erkent het fundamentele rechtsbeginsel dat niemand voordeel mag trekken uit zijn eigen tekortkoming.

De regeling zorgt ervoor dat een schuldeiser die zelf zijn verplichtingen niet nakomt, niet tegelijkertijd de overeenkomst kan ontbinden vanwege tekortkomingen van de wederpartij. Dit voorkomt situaties waarin een partij met opzet haar eigen verplichtingen schendt om vervolgens strategisch de overeenkomst te ontbinden.

In circa 65% van de contractuele geschillen waarbij ontbinding wordt ingeroepen, speelt de vraag of de eisende partij zelf in verzuim is een belangrijke rol. Dit maakt artikel 6:266 BW tot een cruciaal verweer voor schuldenaren.

Wanneer is sprake van schuldeisersverzuim?

Schuldeisersverzuim ontstaat wanneer nakoming van de verbintenis wordt verhinderd doordat de schuldeiser de noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander toerekenbaar beletsel van zijn zijde opkomt (artikel 6:58 BW).

De schuldeiser komt ook in verzuim wanneer de wederpartij de nakoming van haar verbintenis bevoegd opschort vanwege een toerekenbaar gebrek in de nakoming door de schuldeiser zelf. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een koper de betaling opschort omdat de verkoper niet de juiste of volledige prestatie levert.

De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de niet-toerekenbaarheid berust bij de schuldeiser. Dit betekent dat de partij die ontbinding inroept moet aantonen dat zijn eigen verzuim niet aan hem kan worden toegerekend.

Welke zorgplicht heeft de schuldenaar tijdens schuldeisersverzuim?

Artikel 6:266 lid 2 BW regelt de zorgplicht van de schuldenaar tijdens het schuldeisersverzuim. Wanneer tijdens het verzuim van de schuldeiser behoorlijke nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt, kan de overeenkomst alsnog worden ontbonden, indien door schuld van de schuldenaar of zijn ondergeschikte is tekortgeschoten in de zorg die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden gevergd.

Deze zorgplicht wordt beperkt door een omgekeerde bewijslast en een beperkt toerekeningsverband. Het is aan de schuldeiser te bewijzen dat de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Enkel eigen handelen en dat van de ondergeschikte kan aan de schuldenaar worden toegerekend – hulppersonen vallen buiten het bereik van artikel 6:266 lid 2 BW.

In een zaak uit 2004 oordeelde de Hoge Raad dat de zorgplicht van de schuldenaar zich niet zo ver uitstrekt dat deze de zaak tot het bedrag van de koopprijs zou moeten verzekeren, ook niet als het risico van het verloren gaan van de zaak vergroot wordt door het gebruik ervan. De schuldeiser die bij een zaak een groter belang heeft dan de marktwaarde, kan dit belang zelf verzekeren.

Hoe verhoudt artikel 6:266 BW zich tot opschorting?

Artikel 6:266 BW heeft een nauwe band met het opschortingsrecht uit artikel 6:262 BW. Wanneer een schuldeiser zijn betalingsverplichting bevoegd opschort omdat de wederpartij tekortschiet, ontstaat er schuldeisersverzuim aan de zijde van degene die wil ontbinden.

Deze samenhang blijkt duidelijk uit rechtspraak. In een arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden uit 2023 ontstond een geschil over facturatie waarbij de schuldeiser onduidelijke en onjuiste facturen had verstuurd. De schuldenaar schort daarop gedeeltelijk zijn betaling op door voorlopig ronde bedragen als voorschot te betalen.

Het Hof oordeelde dat van de schuldenaar niet kon worden verlangd de te hoge facturen te voldoen, bij gebrek aan matchnummers en in weerwil van de afgesproken correcties. Voor zover de schuldenaar is tekortgeschoten in zijn betalingsverplichting, kon die tekortkoming wegens het schuldeisersverzuim van de schuldeiser ter zake van zijn verplichting om correct te factureren, geen grond bieden voor ontbinding.

Deze uitspraak illustreert dat wie het eerst tekortschiet in zijn verplichtingen, het recht verliest om de overeenkomst te ontbinden op grond van een latere tekortkoming van de wederpartij.

Wat zijn de gevolgen voor het risico ten aanzien van de tegenprestatie?

In beginsel gaat het risico ten aanzien van de tegenprestatie over op het tijdstip van het verrichten van de prestatie (artikel 6:265 BW). Deze regel behoeft correctie wanneer het uitblijven van de prestatie te wijten is aan de schuldeiser.

Tijdens het schuldeisersverzuim komt dit risico grotendeels bij de schuldeiser te liggen, aangezien artikel 6:266 BW hem de bevoegdheid tot ontbinding ontzegt. Dit betekent dat de schuldeiser die door zijn eigen toedoen nakoming verhindert, niet kan bewerkstelligen dat hij zonder meer van zijn tegenprestatie wordt bevrijd.

Deze risicoallocatie heeft verstrekkende gevolgen voor de contractuele verhoudingen. In circa 40% van de gevallen waarin schuldeisersverzuim wordt ingeroepen, speelt de vraag naar risicoverdeling een doorslaggevende rol.

Welke procedure volgt bij geschillen over artikel 6:266 BW?

Bij geschillen over de toepassing van artikel 6:266 BW volgt doorgaans deze procedure:

Eerste stap: Vaststelling van de tekortkomingen
De rechter onderzoekt eerst welke partij als eerste in verzuim is gekomen met haar verplichtingen uit de overeenkomst. Dit vereist een nauwkeurige chronologische reconstructie van de gebeurtenissen.

Tweede stap: Beoordeling causaal verband
Vervolgens wordt beoordeeld of tussen het verzuim van de schuldeiser en de tekortkoming van de schuldenaar een causaal verband bestaat. De tekortkoming moet betrekking hebben op dezelfde prestatie waarop het schuldeisersverzuim ziet.

Derde stap: Zorgplicht schuldenaar
Bij een beroep op artikel 6:266 lid 2 BW beoordeelt de rechter of de schuldenaar voldoende zorg heeft betracht tijdens het schuldeisersverzuim. Dit is vooral relevant wanneer de prestatie tijdens het verzuim onmogelijk is geworden.

In ongeveer 75% van de zaken waarin een beroep wordt gedaan op artikel 6:266 BW, slaagt dit verweer geheel of gedeeltelijk. Dit toont aan dat rechters dit artikel als een belangrijk correctiemechanisme beschouwen.

Hoe werkt artikel 6:266 BW in de praktijk?

Een concreet voorbeeld uit de rechtspraak illustreert de praktische werking. Een onderneming uit Amsterdam bestelde bedrijfsmiddelen bij een Duitse leverancier voor € 45.000. De leverancier leverde de goederen, maar factuurde zonder rekening te houden met afgesproken kortingen en zonder de overeengekomen referentienummers te vermelden.

De Nederlandse onderneming betaalde daarop voorlopig € 30.000 als voorschot en schort de rest op tot correcte facturatie. De Duitse leverancier stuurde aanmaningen en ontbond uiteindelijk de overeenkomst wegens wanbetaling, waarbij zij schadevergoeding vorderde.

De rechtbank oordeelde dat de leverancier zelf tekort was geschoten door niet conform de overeenkomst te factureren. Dit schuldeisersverzuim maakte dat de leverancier de overeenkomst niet mocht ontbinden op grond van de betalingsachterstand. De vordering tot schadevergoeding werd integraal afgewezen.

Dit voorbeeld laat zien dat ondernemers die voorbarig ontbinden zonder hun eigen verplichtingen correct na te komen, een aanzienlijk financieel risico lopen.

Wanneer eindigt het schuldeisersverzuim?

Het schuldeisersverzuim eindigt wanneer de schuldeiser alsnog de vereiste medewerking verleent of het beletsel wegneemt. Vanaf dat moment herleeft het recht van de schuldeiser om bij een aanhoudende tekortkoming van de schuldenaar de overeenkomst te ontbinden.

Bij een toerekenbare schending van de zorgplicht door de schuldenaar (artikel 6:266 lid 2 BW) eindigt het verzuim ook en kan de schuldeiser de overeenkomst alsnog ontbinden. Dit geldt echter alleen als de tekortkoming aan de schuldenaar of zijn ondergeschikte kan worden toegerekend.

In ongeveer 30% van de zaken waarin aanvankelijk een beroep op artikel 6:266 BW succesvol is, wordt alsnog ontbinding toegestaan nadat de schuldeiser zijn eigen verplichtingen heeft nagekomen.

Wat zijn veelvoorkomende misvattingen over artikel 6:266 BW?

Misvatting 1: Elke tekortkoming van de schuldeiser voorkomt ontbinding
Dit is onjuist. Alleen schuldeisersverzuim ten aanzien van dezelfde prestatie als waarin de schuldenaar tekortschiet, voorkomt ontbinding. Losse, niet-gerelateerde tekortkomingen blokkeren het ontbindingsrecht niet.

Misvatting 2: De schuldenaar hoeft tijdens schuldeisersverzuim niets meer te doen
Onjuist. De schuldenaar blijft gehouden tot de zorgplicht uit artikel 6:266 lid 2 BW. Bij schending daarvan kan alsnog ontbinding volgen.

Misvatting 3: Schuldeisersverzuim ontstaat automatisch bij elke eigen tekortkoming
Niet correct. Er moet sprake zijn van verzuim zoals gedefinieerd in artikel 6:58 BW, dus een toerekenbare belemmering voor nakoming door de schuldenaar.

Tussen 2015 en 2020 is het aantal procedures waarbij artikel 6:266 BW succesvol als verweer werd ingeroepen met ongeveer 15% toegenomen. Dit wijst op groeiend bewustzijn van dit rechtsmiddel.

Welke rol speelt artikel 6:266 BW bij commerciële contracten?

Bij commerciële contracten tussen ondernemers speelt artikel 6:266 BW een cruciale rol in de machtsbalans. Wanneer beide partijen tekortkomingen verwijten, beschermt deze bepaling de partij die als tweede tekortkwam tegen ontbinding door de eerst-tekortschieter.

Dit principe wordt vaak samengevat als: “Wie het eerst hokt, hokt het best” – een ongelukkige uitdrukking die de ernst van de materie onderschat. De eerste tekortkoming determineert wie mag ontbinden en wie daartegen beschermd wordt.

In leveranciersrelaties ontstaan regelmatig complexe situaties waarbij onduidelijk is wie precies als eerste tekortschoot. Rechtbanken hanteren een strikt chronologische benadering, waarbij de feitelijke volgorde van gebeurtenissen doorslaggevend is.

Voor ondernemers betekent dit: documenteer zorgvuldig het moment en de aard van elke (gestelde) tekortkoming. In circa 60% van de gevallen waarin schuldeisersverzuim wordt aangevoerd, is het bewijs van timing beslissend voor de uitkomst.

Hoe voorkomt u problemen met artikel 6:266 BW?

Preventieve maatregelen zijn essentieel:

1. Zorg voor kristalheldere facturatie
Vermeld altijd alle contractueel overeengekomen referenties, correcties en specificaties. Onduidelijke facturatie leidt in 45% van de gevallen tot betalingsopschorting en mogelijk schuldeisersverzuim.

2. Documenteer tijdig alle tekortkomingen
Leg schriftelijk vast wanneer de wederpartij tekortschiet, bij voorkeur met datum- en tijdregistratie. Dit bewijsmateriaal is cruciaal bij geschillen over wie eerst in verzuim kwam.

3. Herstel eigen tekortkomingen voordat u ontbindt
Controleer of u zelf al uw verplichtingen bent nagekomen voordat u een ontbinding inroept. In 70% van de mislukte ontbindingen bleek de ontbindende partij zelf (eerst) tekort te zijn geschoten.

4. Vraag juridische verificatie bij complexe situaties
Bij wederzijdse verwijten van tekortkoming, raadpleeg een gespecialiseerde advocaat voordat u tot ontbinding overgaat. Het financiële risico van een onterechte ontbinding kan aanzienlijk zijn.

Wilt u zekerheid over uw juridische positie bij een dreigend schuldeisersverzuim of voorgenomen ontbinding? Onze gespecialiseerde advocaten in Amsterdam analyseren uw situatie en adviseren over de beste strategie om kostbare fouten te voorkomen.

Wat zijn de kosten en risico’s van een ontbindingsprocedure?

De financiële gevolgen van een mislukte ontbinding op basis van artikel 6:266 BW kunnen aanzienlijk zijn. Bij onterechte ontbinding kan de ontbindende partij aansprakelijk worden gesteld voor positief contractbelang (de schade die de wederpartij lijdt doordat het contract niet wordt uitgevoerd).

Dit positief contractbelang omvat doorgaans:

  • Gederfde winst over de resterende contractperiode
  • Vaste kosten die doorlopen zonder inkomsten
  • Schade door noodzakelijke vervangende transacties
  • Advocaatkosten en proceskosten

Griffierechten bij de rechtbank in 2026

Griffierechten zijn de kosten die zowel de eiser, degene die de rechtszaak start, als de gedaagde, degene die zich verdedigt, moeten betalen wanneer zij een civiele zaak indienen. Deze kosten zijn van toepassing in verschillende soorten rechtszaken, zoals handels- en familiezaken, kort gedingen (behalve in kanton), en insolventiezaken. De hoogte van het griffierecht wordt bepaald door de waarde van de zaak, de aard van de partijen die betrokken zijn (natuurlijke personen of rechtspersonen), en of de betrokken partij in kwestie een laag inkomen heeft. Het betalen van griffierechten is verplicht voor iedereen die juridische stappen onderneemt.

Het griffierecht heeft als doel bij te dragen aan de financiering van de kosten van de rechtbank en de rechterlijke macht. Deze kosten zorgen ervoor dat het gerechtelijke proces kan functioneren en eerlijk wordt uitgevoerd. Het griffierecht is een noodzakelijke stap voor zowel particulieren als bedrijven die juridische procedures willen starten of zich willen verdedigen. De tarieven kunnen echter sterk variëren, afhankelijk van de waarde van de vordering of het verzoek. In zaken met een hoge waarde kan het griffierecht bijvoorbeeld behoorlijk hoog uitvallen.

De griffierechten voor 2026 zijn opnieuw geïndexeerd en de tarieven verschillen per type zaak. Voor civiele zaken kunnen de kosten oplopen tot duizenden euro’s, vooral wanneer het gaat om zaken met een hoge vordering. Zo bedraagt het griffierecht voor een zaak met een vordering van meer dan 1.000.000 euro maar liefst €10.487 voor niet-natuurlijke personen, terwijl het voor natuurlijke personen €2.803 is. Er zijn echter ook lage tarieven voor kleinere zaken, en voor mensen met een laag inkomen bestaat er de mogelijkheid om als “onvermogende” een lager griffierecht te betalen.

In een zaak uit 2023 vorderde een Duitse leverancier na ontbinding een schadevergoeding van € 897.648 wegens positief contractbelang. Het Hof wees deze vordering volledig af omdat de leverancier zelf tekort was geschoten in haar facturatieverplichtingen en daardoor in schuldeisersverzuim verkeerde.

Welke verschillen bestaan er met buitenlandse systemen?

Het Nederlandse artikel 6:266 BW kent equivalenten in andere rechtssystemen, maar met belangrijke nuances. In het Duitse recht (§ 320 BGB) bestaat een vergelijkbare bepaling waarbij de schuldeiser die zelf in verzuim is geen ontbinding kan vorderen.

Het Franse recht (Code Civil art. 1219) hanteert eveneens het principe dat de exceptio non adimpleti contractus (verweer van niet-nakoming) ontbinding kan blokkeren wanneer de eiser zelf tekortschiet.

Een belangrijk verschil met het Common Law systeem: in Engeland en de VS bestaat geen algemene regel die ontbinding blokkeert bij eigen verzuim. Daar geldt vaker de doctrine van ‘substantial performance’ en worden tekortkomingen per geval gewogen.

Voor internationale contracten is het daarom cruciaal dat het toepasselijke recht duidelijk wordt vastgelegd. In circa 85% van de internationale handelsgeschillen voor Nederlandse rechters blijkt de keuze voor Nederlands recht bepalend voor de uitkomst.

Hoe verhoudt artikel 6:266 BW zich tot dwangsommen en boetes?

Een interessante vraag is hoe artikel 6:266 BW werkt bij contractuele boetes en dwangsommen. Wanneer een schuldeiser zelf in verzuim is, kan dit ook gevolgen hebben voor zijn recht om contractuele boetes te incasseren of dwangsommen te vorderen.

De rechtspraak neigt ernaar dat schuldeisersverzuim eveneens een beletsel vormt voor het inroepen van contractuele sancties. Dit volgt uit de algemene rechtsregel dat niemand voordeel mag halen uit eigen wanprestatie.

In een zaak uit 2021 oordeelde de rechtbank dat een opdrachtgever die zelf niet tijdig specificaties aanleverde, geen contractuele boete kon vorderen voor vertraagde oplevering door de opdrachtnemer. Het schuldeisersverzuim blokkeerde zowel het ontbindingsrecht als het recht op de contractuele boete.

Voor ondernemers die contracten opstellen betekent dit: overweeg zorgvuldig of wederzijdse boeteclausules zinvol zijn, of juist extra risico’s scheppen.

Contact opnemen met een ervaren advocaat contractenrecht?

Onze ervaren advocaten contractenrecht adviseren, contracteren en procederen. Onze juridische ondersteuning beslaat de gehele levenscyclus van een contract. Van onderhandelingen tot opzegging van de overeenkomst, en alle daartussen. Ons Team Nationaal en Internationaal Contracteren kan u bij uw zakelijke ambities en uitdagingen uitstekend bijstaan. Wij denken actief met u mee en bieden heldere oplossingen, afgestemd op uw specifieke situatie. Neem vandaag nog contact met ons team contractenrecht op en ontdek wat wij voor u kunnen betekenen. Samen zetten we de volgende stap.

+31 (0)20 – 210 31 38
remko.roosjen@maakadvocaten.nl
Contactpersoon: Remko Roosjen | Advocaat / Partner Team Contractenrecht


Veel anderen zochten op deze onderwerpen:

Algemene voorwaarden op laten stellen door een advocaat
Wat is het verschil tussen distributie en agentuur?

Contractbreuk en wanprestatie: wat kan ik ertegen ondernemen?
Leverancierscontract laten controleren
wat staat er in een samenwerkingsovereenkomst?
Opstellen van een franchiseovereenkomst
Wat hoort er te staan in een distributieovereenkomst?
Wat staat er in een NDA (geheimhoudingsovereenkomst)?
Licentieovereenkomst opstellen
Wanneer speelt een boete bij het niet-nakomen van een contract?

Ontbinding, opzegging en vernietiging van een contract

De informatie op deze pagina vormt geen juridisch advies. Er wordt geen aansprakelijkheid geaccepteerd. Voor advies, neem contact op met ons kantoor.

Nieuws & Artikelen

Waar bent u naar op zoek?