Goodwill voor een handelsagent wordt volgens artikel 7:442 BW berekend in drie fasen: kwantificering van het voordeel dat de principaal behaalt uit door de agent aangebrachte klanten, een billijkheidscorrectie op basis van gederfde provisie en overige omstandigheden, en toetsing aan het wettelijk maximum van één jaarsalaris berekend over de laatste vijf jaren van de overeenkomst.
De berekening van een klantenvergoeding bij beëindiging van een agentuurovereenkomst volgt een vast juridisch stappenplan. Daarom verdient het aanbeveling om vooraf duidelijke afspraken te maken over de methode van berekening. Dit voorkomt discussies achteraf en geeft beide partijen zekerheid over hun positie bij beëindiging.
Wat is een agentuurovereenkomst?
Een agentuurovereenkomst is volgens artikel 7:428 lid 1 BW een overeenkomst waarbij de principaal aan de handelsagent opdraagt, en deze zich verbindt, voor bepaalde of onbepaalde tijd en tegen beloning bij totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen. De handelsagent sluit eventueel contracten op naam en voor rekening van de principaal zonder aan deze ondergeschikt te zijn.
Het onderscheid met andere samenwerkingsvormen is juridisch relevant. Waar een distributeur voor eigen rekening en risico koopcontracten sluit met klanten, bemiddelt de handelsagent tussen principaal en eindklanten. Juist deze bemiddelende rol rechtvaardigt de aanspraak op een klantenvergoeding bij beëindiging.
Welke voorwaarden gelden voor goodwill bij agentuur?
De handelsagent heeft bij beëindiging recht op klantenvergoeding wanneer twee cumulatieve voorwaarden vervuld zijn. Ten eerste moet de agent nieuwe klanten hebben aangebracht of overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk hebben uitgebreid, waarbij deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren.
Ten tweede moet betaling van de vergoeding billijk zijn gelet op alle omstandigheden, waarbij met name de verloren provisie uit overeenkomsten met deze klanten meetelt. Volgens artikel 7:442 lid 1 sub a en b BW vormen deze voorwaarden de juridische basis voor aanspraak op goodwill.
Bovendien geldt een strikt bewijs: voordat aan kwantificering kan worden toegekomen, moet de agent aannemelijk maken dat de principaal van door hem aangebrachte klanten nog in relevante mate nieuwe transacties kan verwachten. Deze bewijslast rust volledig op de handelsagent.
Hoe werkt fase 1: kwantificering van het voordeel?
In de eerste berekeningsfase kwantificeert u de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal opleveren. Dit vergt inzicht in de verwachte toekomstige omzet met deze klanten na beëindiging van de agentuurrelatie.
De agent moet daarbij aannemelijk maken dat de principaal daadwerkelijk voordeel blijft behalen uit de door hem opgebouwde klantenrelaties. Echter, het gaat niet om het aantonen van exact behaald voordeel – alleen om de aannemelijkheid dat voordeel zich voordoet. In markten die sterk prijsgedreven zijn, kan dit lastiger te bewijzen zijn dan in markten waar merkimago en klantloyaliteit een grotere rol spelen.
Een touroperator in de reismarkt slaagde er bijvoorbeeld niet in goodwill te verkrijgen, omdat niet aannemelijk werd gemaakt dat klanten opnieuw bij dezelfde touroperator zouden boeken. De prijsgedreven aard van die markt werkte tegen de agent.
Hoe werkt fase 2: de billijkheidstoetsing?
Vervolgens beoordeelt u of het in fase 1 vastgestelde bedrag naar boven of beneden moet worden aangepast met het oog op billijkheid. Hierbij weegt u alle omstandigheden van het geval mee, met name de door de handelsagent gederfde provisie uit overeenkomsten met de aangebrachte klanten.
De gederfde provisie is in beginsel de brutoprovisie, zonder aftrek van kosten die de handelsagent zich na opzegging bespaart. Wanneer echter een aanmerkelijk deel van de provisie voor het bestrijden van onkosten werd aangewend, houdt de billijkheidstoetsing daar rekening mee. Deze correctiemogelijkheid voorkomt onredelijke verrijking van de principaal ten koste van de agent.
Overige omstandigheden die in de billijkheidstoetsing meewegen zijn bijvoorbeeld de duur van de samenwerking, de mate van inspanning van de agent bij klantenwerving, marktomstandigheden en de aard van de producten of diensten. Een agent die tien jaar intensief klanten heeft opgebouwd, heeft doorgaans een sterkere positie dan een agent met een korte, oppervlakkige relatie.
Hoe werkt fase 3: toetsing aan het maximum?
Ten slotte toetst u of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag het wettelijk maximumbedrag niet te boven gaat. Volgens artikel 7:442 lid 2 BW bedraagt het maximum de beloning van één jaar, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren of, indien de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de hele duur.
De Hoge Raad heeft bepaald dat “beloning” een ruim begrip is en daarom om de brutobeloning gaat. Dit betekent dat u alle vormen van vergoeding meetelt: vaste fee, provisie, bonussen en andere beloningscomponenten die de agent regulier ontving.
Bij een agentuurovereenkomst van drie jaar berekent u het gemiddelde over deze drie jaren. Bij een langlopende overeenkomst van tien jaar neemt u uitsluitend de laatste vijf jaren mee. Deze beperking voorkomt dat verouderde cijfers uit het verre verleden de berekening vertekenen.
Wanneer vervalt het recht op goodwill?
De klantenvergoeding is niet verschuldigd in drie specifieke situaties. Ten eerste wanneer de principaal de overeenkomst beëindigt wegens een dringende reden die de handelsagent kan worden toegerekend. Onder dringende reden vallen omstandigheden van zodanige aard dat van de principaal redelijkerwijs niet gevergd kan worden de overeenkomst zelfs tijdelijk in stand te laten.
Ten tweede vervalt het recht op een klantenvergoeding wanneer de handelsagent zelf opzegt, tenzij deze opzegging gerechtvaardigd wordt door omstandigheden die aan de principaal zijn toe te rekenen. Ook opzegging wegens leeftijd, invaliditeit of ziekte van de agent levert aanspraak op goodwill op, mits niet meer redelijkerwijs gevergd kan worden dat de agent zijn werkzaamheden voortzet.
Ten derde vervalt het recht wanneer de handelsagent overeenkomstig een afspraak met de principaal zijn rechten en verplichtingen uit de agentuurovereenkomst aan een derde overdraagt. In dat geval behoudt de agent immers de economische waarde door overdracht aan de opvolger.
Welke verjaringstermijn geldt bij een aanspraak op goodwill door de handelsagent?
Het recht op klantenvergoeding vervalt wanneer de handelsagent de principaal niet uiterlijk één jaar na beëindiging van de overeenkomst heeft medegedeeld dat hij vergoeding verlangt. Deze korte vervaltermijn vereist tijdig handelen door de agent.
Daarnaast verjaren rechtsvorderingen uit onregelmatige opzegging door verloop van één jaar na het feit dat de vordering deed ontstaan. Deze verkorte verjaringstermijn wijkt af van de algemene verjaringstermijn van vijf jaar volgens artikel 3:306 BW. De wetgever heeft bewust gekozen voor rechtszekerheid binnen afzienbare termijn bij beëindiging van agentuurrelaties.
Wilt u zekerheid over de berekening van goodwill bij uw agentuurovereenkomst? Onze gespecialiseerde advocaten in Amsterdam analyseren uw situatie en berekenen nauwkeurig de klantenvergoeding volgens de drietrapsraket van de Hoge Raad. Wij adviseren zowel handelsagenten als principalen over optimale contractvoorwaarden en geschiloplossing.
Hoe verschilt goodwill van schadevergoeding?
De klantenvergoeding is een zelfstandig recht naast een eventuele vordering tot schadevergoeding. Waar goodwill de compensatie vormt voor het voordeel dat de principaal behoudt uit door de agent aangebrachte klanten, dekt schadevergoeding de schade uit onregelmatige beëindiging van de overeenkomst.
Een principaal die opzegt zonder inachtneming van de overeengekomen of wettelijke opzegtermijn is schadeplichtig, tenzij opzegging plaatsvindt wegens een dringende reden die onverwijld aan de wederpartij wordt medegedeeld. De handelsagent kan dus zowel goodwill als schadevergoeding vorderen wanneer aan de voorwaarden voor beide wordt voldaan.
Wat zijn de belangrijkste valkuilen?
In ruim 65% van de geschillen over agentuurovereenkomsten ontstaat discussie over de berekeningswijze van goodwill. Principalen onderschatten vaak het bedrag dat verschuldigd is, terwijl agenten moeite hebben het voordeel voor de principaal aannemelijk te maken. Bovendien vergeten partijen regelmatig de eenjarige vervaltermijn.
Een veelvoorkomende misvatting is dat de agent exact moet bewijzen hoeveel voordeel de principaal daadwerkelijk behaalt. De wet vereist echter slechts dat aannemelijk wordt gemaakt dat de principaal nog in relevante mate nieuwe transacties kan verwachten met de aangebrachte klanten. Deze nuance bepaalt vaak het verschil tussen toewijzing en afwijzing van goodwill.
Neem contact op met ons advocatenkantoor in Amsterdam voor deskundige juridische begeleiding bij beëindiging van uw agentuurovereenkomst. Wij berekenen de goodwill volgens de juiste juridische methode en zorgen voor optimale belangenbehartiging in onderhandelingen of gerechtelijke procedures.


