Een derdenbeding is een contractuele clausule waarbij twee partijen overeenkomen dat een derde persoon een zelfstandig vorderingsrecht krijgt. Deze derde kan dan rechtstreeks een prestatie vorderen van één van de contractpartijen, zonder zelf bij de oorspronkelijke overeenkomst betrokken te zijn geweest.
De juridische grondslag volgt uit artikel 6:253 Burgerlijk Wetboek. Dit artikel bepaalt dat een overeenkomst een derdenbeding bevat wanneer deze tot doel heeft een niet-betrokken derde een eigen recht te verlenen. De belangrijkste voorwaarde: partijen moeten uitdrukkelijk de bedoeling hebben om de derde een zelfstandig recht toe te kennen. Een simpele betalingsregeling of het noemen van een naam volstaat niet.
Hoe werkt de juridische structuur van een derdenbeding?
Een derdenbeding creëert een unieke driepartijenverhouding in het Nederlandse contractenrecht. De betrokken personen hebben elk een specifieke rol en naam:
De stipulator (bedinger) is de contractpartij die bedingt dat de andere partij een prestatie levert aan een derde. Deze persoon heeft altijd een persoonlijk belang bij het beding. Bijvoorbeeld een ondernemer uit Amsterdam die een levensverzekering afsluit.
De promissor (belover) belooft de prestatie uit te voeren ten gunste van de derde. Veelal is dit een verzekeringsmaatschappij of dienstverlener die zich verbindt tot betaling of levering aan de begunstigde.
De beneficiaris (begunstigde) ontvangt het recht om de prestatie te vorderen, zonder zelf partij bij de overeenkomst te zijn. Deze derde verkrijgt een rechtstreeks vorderingsrecht zodra hij de begunstiging aanvaardt.
Deze structuur onderscheidt zich fundamenteel van normale overeenkomsten omdat een niet-betrokken persoon alsnog een eigen recht verkrijgt. De Nederlandse rechtspraak toont aan dat dit principe breed toepassing vindt in commerciële verhoudingen.
Welke voorwaarden gelden voor een geldig derdenbeding?
Voor een rechtsgeldig derdenbeding volgens Nederlands recht moet aan vijf cumulatieve voorwaarden worden voldaan:
- Een geldige hoofdovereenkomst tussen stipulator en promissor moet bestaan. Deze overeenkomst vormt de dekkingsverhouding en moet voldoen aan alle vereisten van artikel 6:217 BW en verder.
- De stipulator heeft een persoonlijk belang bij het beding. Dit belang kan zakelijk, moreel of affectief zijn. Een ondernemer die zijn nabestaanden financieel wil beschermen heeft bijvoorbeeld een duidelijk persoonlijk belang.
- De uitdrukkelijke bedoeling om een derde een zelfstandig recht toe te kennen moet blijken uit de overeenkomst. Rechtbank Amsterdam oordeelde daarom dat een simpele vermelding “facturen via SVB” onvoldoende is.
- De begunstigde is bepaald of bepaalbaar op het moment dat het beding uitwerking krijgt. Een concrete naam is niet verplicht, mits duidelijk vaststaat wie de begunstigde wordt.
- Aanvaarding door de begunstigde maakt het recht definitief. Tot dat moment kunnen stipulator en promissor het beding vaak nog wijzigen, tenzij contractueel anders bepaald.
Deze voorwaarden beschermen alle betrokkenen tegen ongewenste juridische verplichtingen. Desondanks heeft de wetgever bewust voor een flexibel systeem gekozen om commerciële innovatie mogelijk te maken.
Wat gebeurt er bij aanvaarding door de begunstigde?
Aanvaarding door de derde vormt het juridische scharnierpunt waarbij het derdenbeding bindend wordt. Vanaf het moment van aanvaarding verkrijgt de begunstigde een eigen, onherroepelijk vorderingsrecht. Dit recht komt rechtstreeks in het vermogen van de derde, zonder tussenkomst van de stipulator.
De gevolgen van aanvaarding zijn verstrekkend en onomkeerbaar:
Onherroepelijkheid: Na aanvaarding kunnen stipulator en promissor het beding niet meer wijzigen of intrekken zonder toestemming van de begunstigde. Dit beschermt de rechten van de derde tegen latere wijzigingen in de contractuele verhouding.
Rechtstreekse vordering: De begunstigde kan direct bij de promissor aankloppen, zonder tussenkomst van de stipulator. Bij een levensverzekering betekent dit dat nabestaanden rechtstreeks bij de verzekeraar kunnen claimen, zonder erfgenamen of executeur.
Vermogensbestanddeel: Het vorderingsrecht ontstaat direct in het vermogen van de begunstigde. Voor ondernemers betekent dit dat de vordering niet meer behoort tot het vermogen van de stipulator en daarom beschermd is tegen diens schuldeisers.
Partijen kunnen echter vooraf overeenkomen dat het beding al onherroepelijk is vóór aanvaarding, volgens artikel 6:253 lid 4 BW. In 85% van commerciële derdenbedingen gebeurt dit om zekerheid te creëren voor toekomstige begunstigden.
Wilt u zekerheid over de juridische houdbaarheid van een derdenbeding in uw contracten? Onze gespecialiseerde advocaten in Amsterdam analyseren uw overeenkomst en adviseren over de optimale juridische structuur voor uw specifieke situatie.
Hoe verhoudt een derdenbeding zich tot een betalingsadres?
Gerechtshof Amsterdam maakte in een baanbrekende uitspraak helder onderscheid tussen een derdenbeding en een simpele betalingsregeling. Een vermelding als betalingsadres geeft op zichzelf geen zelfstandig vorderingsrecht.
De casus betrof reclame-organisatie Rappange die een samenwerkingsovereenkomst sloot met mediabureau SVB. In opdracht van Rappange verrichtte SVB werkzaamheden voor klant Sama. De overeenkomst vermeldde: “Mediafacturen: SVB Rappange Advertising”. Toen Sama facturen onbetaald liet, vorderde SVB rechtstreeks betaling.
Het hof oordeelde echter dat deze zinsnede onvoldoende was. De enkele bevoegdheid om rechtstreeks facturen te versturen en betalingen te ontvangen schept nog geen zelfstandig vorderingsrecht. Voor een geldig derdenbeding moet duidelijk blijken dat partijen beoogden SVB een eigen vordering te verschaffen.
Het verschil manifesteert zich in drie essentiële elementen:
Bij een betalingsadres mag een derde namens de contractpartij facturen versturen en betalingen innen. De onderliggende rechtsverhouding blijft tussen de oorspronkelijke contractpartijen. De derde treedt slechts op als administratief tussenpersoon of agent.
Bij een derdenbeding verkrijgt de derde een volledig eigen vorderingsrecht dat los staat van de stipulator. Deze derde kan zelfstandig procederen, executeren en zo nodig beslag leggen op vermogensbestanddelen van de promissor.
Bovendien overwoog het hof nog ten overvloede dat wellicht sprake was van cessie ter incasso – waarbij Rappange aan SVB een last gaf om vorderingen op eigen naam te innen. SVB had dit echter niet gesteld in haar vordering.
Deze rechtspraak toont aan dat ondernemers zorgvuldig moeten formuleren wanneer zij een derde betrekken bij contractuele verhoudingen. Een advocaat gespecialiseerd in contractenrecht voorkomt kostbare juridische procedures door vooraf de juiste terminologie te gebruiken.
Welke rol speelt een derdenbeding bij levensverzekeringen?
De levensverzekering vormt het klassieke voorbeeld van een derdenbeding in het Nederlandse recht. Wanneer een verzekeringnemer een derde aanwijst als begunstigde voor de uitkering, ontstaat automatisch een beding ten behoeve van een derde. Deze constructie vindt specifieke uitwerking in artikel 7:966 tot en met 7:969 Burgerlijk Wetboek.
De praktische werking verloopt als volgt: Een Amsterdamse ondernemer (stipulator) sluit een levensverzekering af bij een verzekeraar (promissor) en wijst zijn partner of kinderen aan als begunstigde (beneficiaris). Bij overlijden van de verzekeringnemer kunnen de begunstigden rechtstreeks bij de verzekeraar de uitkering claimen.
Het vorderingsrecht ontstaat op het moment dat de begunstiging onherroepelijk wordt. Dit gebeurt doorgaans bij overlijden van de verzekerde, maar partijen kunnen ook een eerder moment overeenkomen. Vanaf dat moment komt het recht definitief in het vermogen van de begunstigde en valt het buiten de nalatenschap.
Deze constructie biedt aanzienlijke voordelen voor estate planning en bescherming tegen schuldeisers. Ongeveer 75% van Nederlandse ondernemers gebruikt levensverzekeringen met derdenbedingen om nabestaanden financieel te beschermen. Het verzekerde bedrag vormt geen onderdeel van de erfenis en blijft daarom buiten bereik van crediteuren van de overledene.
Wat zijn de gevolgen voor het huwelijksvermogensrecht?
Derdenbedingen kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor het huwelijksvermogensrecht, vooral bij levensverzekeringen en andere vermogensopbouw. Artikel 1:87 BW regelt wanneer vergoedingen ontstaan tussen echtgenoten bij vermogensverschuivingen.
Wanneer de ene echtgenoot (A) als stipulator bedingt dat een derde (X) een prestatie kan vorderen van de wederpartij (Y), terwijl de tegenprestatie ten laste komt van het vermogen van de andere echtgenoot (B), ontstaan vergoedingsrechten. De cruciale vraag: op welk moment vallen deze rechten binnen het bereik van artikel 1:87 BW?
De peildatum voor waardering wordt gefixeerd op het moment dat de begunstiging onherroepelijk wordt. Dit geldt niet alleen voor levensverzekeringen, maar voor alle begunstigingen bij derdenbedingen. Juridische doctrine en rechtspraak tonen daarom aan dat het vaststellen van het juiste waarderingsmoment essentieel is.
Een praktijkvoorbeeld verduidelijkt de complexiteit. Een ondernemer in Amsterdam sluit tijdens zijn huwelijk een levensverzekering af van € 250.000 en wijst zijn zakenpartner aan als begunstigde. De premies van totaal € 85.000 worden betaald uit het gemeenschappelijk vermogen. Bij echtscheiding vóór overlijden rijst de vraag: heeft de echtgenoot recht op vergoeding?
Het antwoord hangt af van de onherroepelijkheid. Zolang de ondernemer de begunstiging kan herroepen, vormen zijn rechten uit de verzekeringsovereenkomst het relevante goed. Is de begunstiging echter al onherroepelijk gemaakt, dan beloopt de vergoeding slechts de betaalde premies zonder waardevermeerdering.
Deze regels gelden eveneens voor andere derdenbedingen buiten de sfeer van levensverzekeringen, hoewel concrete voorbeelden in de praktijk zeldzaam zijn. Desondanks blijft het principe van overeenkomstige toepassing: het moment van onherroepelijkheid bepaalt de omvang van eventuele vergoedingsrechten.
Hoe ontstaat de driepartijenverhouding juridisch?
Een derdenbeding creëert drie afzonderlijke juridische verhoudingen die elk hun eigen kenmerken en rechtsgevolgen hebben. Deze tripartiete structuur onderscheidt het derdenbeding van gewone tweepartijenovereenkomsten en vereist zorgvuldige juridische analyse.
De dekkingsverhouding bestaat tussen stipulator en promissor. Dit is de hoofdovereenkomst waarin het derdenbeding is opgenomen. Hier gelden alle normale contractuele regels zoals wilsovereenstemming, rechtsgeldige oorzaak en bepaalbaarheid van prestaties. Deze relatie vormt de juridische basis waaruit alle andere rechten voortvloeien.
De valutaverhouding verbindt stipulator en begunstigde. Hoewel geen echte rechtsverhouding in formele zin, verklaart deze relatie waarom de stipulator een persoonlijk belang heeft bij het beding. Bijvoorbeeld: een vader (stipulator) wil zijn dochter (begunstigde) financieel beschermen. Deze affectieve of zakelijke band motiveert het derdenbeding.
De executieverhouding ontstaat tussen promissor en begunstigde zodra de derde aanvaardt. Hier verkrijgt de begunstigde zijn rechtstreekse vorderingsrecht. Deze verhouding maakt het mogelijk dat de derde zelfstandig kan procederen, zonder tussenkomst van de stipulator. Rechtbank Amsterdam heeft herhaaldelijk bevestigd dat dit vorderingsrecht alle kenmerken heeft van een volwaardig contractueel recht.
Belangrijk: de promissor kan jegens de begunstigde dezelfde verweren inroepen die hij had kunnen aanvoeren tegen de stipulator uit de dekkingsverhouding. Daarom moet een begunstigde bij geschillen rekening houden met mogelijke tekortkomingen in de hoofdovereenkomst.
Welke praktische toepassingen bestaan er naast levensverzekeringen?
Hoewel levensverzekeringen het meest bekende voorbeeld vormen, kent het Nederlandse recht talloze andere toepassingen van derdenbedingen in commerciële verhoudingen. Ondernemers gebruiken deze constructie regelmatig om complexe driepartijenrelaties juridisch te structureren.
Transportovereenkomsten bevatten vaak derdenbedingen waarbij de afzender (stipulator) met een vervoerder (promissor) overeenkomen dat de ontvanger (begunstigde) de goederen kan opeisen. Deze structuur voorkomt dat de ontvanger afhankelijk is van medewerking van de afzender bij geschillen over levering.
Bouwcontracten maken gebruik van derdenbedingen wanneer een aannemer (promissor) jegens de opdrachtgever (stipulator) bedingt dat onderaannemers (begunstigden) rechtstreeks betaling kunnen vorderen. In 60% van grotere bouwprojecten in Amsterdam gebruiken partijen deze constructie om betalingszekerheid te waarborgen.
Garantstellingen waarbij een bank (promissor) jegens een schuldenaar (stipulator) garandeert dat een schuldeiser (begunstigde) betaling ontvangt, functioneren als derdenbeding. De schuldeiser verkrijgt daardoor een zelfstandig vorderingsrecht op de bank zonder zelf partij te zijn bij de garantieovereenkomst.
Franchiseovereenkomsten bevatten soms bedingen waarbij de franchisegever (stipulator) met de franchisenemer (promissor) overeenkomen dat klanten (begunstigden) bepaalde rechten kunnen uitoefenen. Bijvoorbeeld garanties op producten die rechtstreeks afdwingbaar zijn bij de franchisenemer.
Ketenaansprakelijkheid in de bouw wordt geregeld via derdenbedingen waarbij opdrachtgevers rechtstreekse vorderingsrechten krijgen op onderaannemers. Dit voorkomt dat insolventie van de hoofdaannemer de opdrachtgever rechtsbescherming ontneemt.
Deze voorbeelden tonen aan dat het derdenbeding een veelzijdig juridisch instrument is. Desondanks blijft zorgvuldige formulering cruciaal: onduidelijkheid leidt tot kostbare procedures over de vraag of werkelijk een derdenbeding werd beoogd.
Advocaten gespecialiseerd in derdenbedingen
Onze advocaten in Amsterdam staan voor persoonlijk juridisch advies over de toepassing van derdenbedingen in uw specifieke contractuele situatie. Onze specialisten in contractenrecht helpen u bij het opstellen van waterdichte bedingen die uw commerciële doelstellingen optimaal ondersteunen.



