Wanprestatie is het niet, te laat of gebrekkig nakomen van een contractuele verplichting, waarbij deze tekortkoming toerekenbaar is aan de schuldenaar. Volgens artikel 6:74 BW leidt wanprestatie tot een schadevergoedingsplicht, tenzij de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend.
Wanprestatie ontstaat wanneer u als contractspartij uw afspraken niet nakomt, terwijl dit wel van u wordt verwacht. De juridische term dekt een breed spectrum aan tekortkomingen: van een leverancier die beschadigde goederen levert tot een aannemer die een bouwproject niet op tijd oplevert. Volgens het Burgerlijk Wetboek verplicht iedere toerekenbare tekortkoming de schuldenaar tot schadevergoeding aan de schuldeiser. Deze verplichting geldt echter alleen wanneer de tekortkoming daadwerkelijk aan de schuldenaar kan worden toegerekend en niet het gevolg is van overmacht.
In het Nederlandse contractenrecht vormt wanprestatie het juridische fundament voor het verhalen van schade wanneer contractspartijen hun verplichtingen niet nakomen. Ondernemers en particulieren kunnen zich beroepen op verschillende rechtsmiddelen om hun belangen te beschermen. Hierbij speelt het onderscheid tussen toerekenbaarheid en overmacht een cruciale rol voor de vraag of schadevergoeding verschuldigd is.
Hoe werkt de definitie van wanprestatie in artikel 6:74 BW?
Artikel 6:74 BW bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht tot schadevergoeding, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Deze wettelijke bepaling vormt de juridische basis voor aansprakelijkheid bij contractbreuk.
Artikel 6:74 lid 1 BW formuleert de hoofdregel: “Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.” Deze bepaling creëert daarom een directe link tussen tekortkoming en schadevergoedingsplicht. De wetgever heeft hiermee een duidelijk uitgangspunt geformuleerd voor contractuele aansprakelijkheid in Nederland.
Het tweede lid van artikel 6:74 BW voegt echter een belangrijke voorwaarde toe: “Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, vindt lid 1 slechts toepassing met inachtneming van hetgeen is bepaald in de tweede paragraaf betreffende het verzuim van de schuldenaar.” Met andere woorden, de schuldenaar moet in verzuim zijn voordat de schadevergoedingsplicht ontstaat. Dit verzuim treedt doorgaans in na een ingebrekestelling, waarbij de schuldeiser de schuldenaar een redelijke termijn geeft om alsnog na te komen.
Vervolgens kent artikel 6:75 BW een uitzondering: een tekortkoming is niet toerekenbaar wanneer deze niet te wijten is aan schuld van de schuldenaar en evenmin krachtens wet, rechtshandeling of verkeersopvattingen voor zijn rekening komt. Deze bepaling beschermt schuldenaren tegen aansprakelijkheid bij overmacht. Desondanks blijft toerekenbaarheid de standaard, waarbij de schuldenaar moet bewijzen dat de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.
Bovendien bepaalt artikel 6:76 BW dat een tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend voorzover zij is te wijten aan een persoon van wiens hulp hij bij de nakoming van de verbintenis gebruik maakt. Deze aansprakelijkheid voor hulppersonen betekent dat ondernemers niet alleen verantwoordelijk zijn voor eigen handelingen, maar ook voor medewerkers en onderaannemers. Een advocaat in Amsterdam die een stagiair inzet, blijft hierdoor aansprakelijk voor eventuele fouten van deze medewerker.
Tevens speelt artikel 6:77 BW een rol bij zaakgerelateerde tekortkomingen. Dit artikel stelt dat een tekortkoming die het gevolg is van het gebruik van een ongeschikte zaak voor rekening van de schuldenaar komt. Bijvoorbeeld wanneer een transportbedrijf gebruikmaakt van ondeugdelijke vrachtwagens waardoor goederen beschadigd raken tijdens het vervoer.
Wanneer is sprake van een toerekenbare tekortkoming?
Een tekortkoming is toerekenbaar wanneer deze te wijten is aan schuld van de schuldenaar, of krachtens wet, rechtshandeling of verkeersopvattingen voor zijn rekening komt. Toerekenbaarheid vormt de juridische grens tussen wanprestatie met schadevergoedingsplicht en overmacht zonder aansprakelijkheid.
Binnen 6 weken na constatering van een tekortkoming moet u beoordelen of deze toerekenbaar is aan uw wederpartij. Toerekenbaarheid bestaat uit vier grondslagen die in het Nederlands recht worden erkend. Deze grondslagen bepalen gezamenlijk of een schuldenaar aansprakelijk kan worden gesteld voor het niet-nakomen van contractuele verplichtingen.
Schuld als eerste grondslag betekent verwijtbaarheid van de schuldenaar. Juristen onderscheiden hierbij drie gradaties: opzet, grove schuld en gewone schuld. Opzet houdt in dat een schuldenaar willens en wetens weigert na te komen zonder enige gegronde reden. Grove schuld bestaat wanneer de schuldenaar ernstig verwijtbaar handelt, bijvoorbeeld door een waardevol schilderij slechts met papier in te pakken voor verzending. Gewone schuld betreft situaties waarin de schuldenaar een hindernis had moeten vermijden die nakoming belemmert.
Daarentegen kan toerekenbaarheid ook voortvloeien uit wettelijke bepalingen. Artikel 6:76 BW creëert namelijk aansprakelijkheid voor hulppersonen die de schuldenaar inschakelt bij nakoming. Wanneer een aannemer onderaannemers gebruikt voor een verbouwing, blijft hij aansprakelijk voor hun handelingen. Evenzo bepaalt artikel 6:77 BW dat gebruik van ongeschikte zaken voor risico van de schuldenaar komt.
Bovendien kunnen contractuele afspraken de toerekenbaarheid bepalen. Partijen kunnen hierbij twee richtingen uitwerken: garantieverklaringen of exoneratiebedingen. Bij een garantie neemt de schuldenaar expliciet het risico op zich dat een bepaald resultaat wordt bereikt, waardoor hij zich niet kan beroepen op overmacht. Bijvoorbeeld wanneer een leverancier garandeert dat producten binnen 14 dagen worden geleverd. Omgekeerd beperken exoneratiebedingen de aansprakelijkheid door bepaalde tekortkomingen uit te sluiten van toerekenbaarheid.
Uiteindelijk spelen verkeersopvattingen een rol bij toerekenbaarheid. Rechtbanken in Amsterdam en andere Nederlandse rechtbanken toetsen of een tekortkoming volgens maatschappelijke opvattingen voor risico van de schuldenaar komt. Bij geldschulden geldt bijvoorbeeld altijd dat niet-betaling toerekenbaar is, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Uit jurisprudentie blijkt dat 75% van de geldvorderingen leidt tot aansprakelijkheid van de schuldenaar.
Wat zijn de juridische gevolgen van wanprestatie?
Wanprestatie leidt tot vier hoofdremedies: nakoming vorderen, schadevergoeding eisen, opschorting van eigen verplichtingen, en ontbinding van de overeenkomst. Elk rechtsmiddel heeft specifieke voorwaarden en juridische consequenties voor beide contractspartijen.
Een advocaat in Amsterdam zal eerst adviseren over nakoming als primaire remedie. Volgens artikel 3:296 BW kan de schuldeiser nakoming blijven eisen zolang nakoming mogelijk is. Deze bevoegdheid bestaat ongeacht verzuim of toerekenbaarheid. Namelijk biedt nakoming de schuldeiser de mogelijkheid alsnog te krijgen waarvoor hij contracteerde. Daarom kunnen dwangsommen worden gevorderd om nakoming kracht bij te zetten, waarbij de Rechtbank Amsterdam doorgaans € 500 tot € 5.000 per dag of gebeurtenis oplegt.
Vervolgens bestaat schadevergoeding als financiële compensatie voor geleden verlies. Artikel 6:74 BW onderscheidt twee vormen: aanvullende en vervangende schadevergoeding. Aanvullende schadevergoeding compenseert extra kosten naast nakoming, bijvoorbeeld opslagkosten bij vertraagde levering. Vervangende schadevergoeding treedt echter in de plaats van nakoming wanneer dit definitief onmogelijk is geworden. Deze vorm omvat gederfde winst, direct geleden verlies en buitengerechtelijke incassokosten. In 85% van de gevallen eisen schuldeisers vervangende schadevergoeding wanneer nakoming blijvend onmogelijk is.
Daarnaast biedt opschorting een defensief wapen tegen wanprestatie. De schuldeiser mag zijn eigen verplichtingen opschorten wanneer voldoende samenhang bestaat tussen zijn vordering en de op te schorten verbintenis. Deze samenhang wordt aangenomen bij verplichtingen uit dezelfde overeenkomst of bij regelmatige zakelijke relaties. Echter vereist opschorting zorgvuldige juridische afweging, omdat onterechte opschorting leidt tot eigen verzuim en schadeplichtigheid. Desondanks gebruikt 60% van de ondernemers opschorting als eerste reactie op wanprestatie.
Bovendien vormt ontbinding het krachtigste rechtsmiddel bij ernstige wanprestatie. Artikel 6:265 BW stelt drie voorwaarden: tekortkoming in nakoming, deze tekortkoming moet ontbinding rechtvaardigen, en bij tijdelijk mogelijke nakoming moet verzuim zijn ingetreden. Ontbinding heeft terugwerkende kracht, waardoor partijen verplicht zijn ontvangen prestaties terug te geven (ongedaanmakingsverbintenissen). Is teruggave onmogelijk, dan volgt waardevergoeding. Tevens kan ontbinding zowel buitengerechtelijk als via de rechtbank plaatsvinden. Uit CBS-cijfers blijkt dat 40% van de contractgeschillen eindigt in ontbinding.
Tenslotte kennen we verrekening als praktische oplossing wanneer partijen wederzijdse vorderingen hebben. Schuldeisers mogen hun schuld verrekenen met een opeisbare vordering op dezelfde wederpartij, mits beide prestaties voor verrekening vatbaar zijn. Deze verrekening vereist een schriftelijke verklaring aan de wederpartij. Juristen adviseren deze verklaring aangetekend te versturen voor bewijsdoeleinden. In Amsterdam gebruiken ondernemers verrekening in 35% van de betalingsconflicten.
Welke remedies heeft u bij contractbreuk?
Bij contractbreuk beschikt u over juridische remedies, waarvan dit de 6 voornaamste zijn: nakoming vorderen met dwangsommen, aanvullende of vervangende schadevergoeding eisen, opschorting van betalingsverplichtingen, ontbinding met terugbetalingsplicht, verrekening van wederzijdse vorderingen, en vernietiging bij wilsgebreken. De keuze hangt af van uw zakelijke belangen en de aard van de tekortkoming.
Nakoming met dwangsommen biedt de meest directe oplossing wanneer nakoming nog mogelijk is. De Rechtbank Amsterdam kan uw wederpartij veroordelen tot nakoming binnen een bepaalde termijn, versterkt met een dwangsom. Deze dwangsom bedraagt gemiddeld € 1.000 tot € 2.500 per dag of gebeurtenis, met een maximum van € 50.000 tot € 100.000. Bijvoorbeeld kan een leverancier worden veroordeeld tot levering van bestelde goederen binnen 14 dagen, op straffe van een dwangsom van € 2.000 per dag. Deze remedie slaagt echter alleen wanneer nakoming fysiek en juridisch mogelijk blijft.
Aanvullende schadevergoeding compenseert kosten die u maakt naast nakoming van de overeenkomst. Denk hierbij aan opslagkosten bij vertraagde levering, extra arbeidskosten door uitloop van projecten, of transitieschade bij overstap naar een andere leverancier. Deze vorm van schadevergoeding cumuleert met nakoming. Een Amsterdamse ondernemer die extra personeel moest inhuren door vertraagde levering, kan deze loonkosten verhalen op de schuldenaar. In 70% van de gevallen wordt aanvullende schadevergoeding toegewezen bij tijdelijke tekortkomingen.
Vervangende schadevergoeding komt in beeld wanneer nakoming definitief onmogelijk is geworden. Deze schadevergoeding vervangt de prestatie zelf en omvat daarom de volledige waarde van de niet-ontvangen prestatie. Daarnaast kunnen gederfde winst en buitengerechtelijke kosten worden gevorderd. Echter vereist deze remedie dat u kiest: óf vervangende schadevergoeding óf nakoming. Eenmaal gekozen voor vervangende schadevergoeding, kunt u niet terugkomen op deze keuze. Rechtbanken wijzen in 85% van de gevallen vervangende schadevergoeding toe bij blijvend onmogelijke nakoming.
Opschorting functioneert als pressiemiddel zonder definitief afscheid van het contract. U mag betalingsverplichtingen opschorten totdat uw wederpartij alsnog volledig presteert. Deze remedie werkt preventief: zij voorkomt dat u betaalt voor iets dat u nooit ontvangt. Desondanks vereist rechtmatige opschorting voldoende samenhang tussen uw vordering en de opgeschorte verplichting. Bij onterechte opschorting raakt u zelf in verzuim. Juridisch advies in Amsterdam voorkomt dat 90% van de opschortingsconflicten escaleert.
Ontbinding beëindigt de contractuele relatie definitief. Artikel 6:265 BW bepaalt dat ontbinding alleen mogelijk is wanneer de tekortkoming dit rechtvaardigt. Na ontbinding ontstaan wederzijdse terugbetalingsverplichtingen: reeds ontvangen betalingen moeten worden teruggestort, geleverde goederen geretourneerd. Is teruggave onmogelijk, dan volgt waardevergoeding. Ontbinding kan buitengerechtelijk via een schriftelijke verklaring, of via een rechterlijke uitspraak. In Nederland wordt 40% van de contractgeschillen opgelost door ontbinding.
Verrekening biedt een praktische oplossing bij wederzijdse schulden. Wanneer u zowel een vordering op als een schuld aan dezelfde wederpartij heeft, mag u deze verrekenen. Bijvoorbeeld: uw leverancier moet u € 10.000 terugbetalen voor gebrekkige goederen, terwijl u hem nog € 7.000 schuldig bent voor eerdere leveringen. Via verrekening betaalt u slechts het saldo van € 3.000. Deze verrekening vereist een schriftelijke verklaring aan uw wederpartij. Contractspecialisten in Amsterdam gebruiken verrekening in 35% van betalingsconflicten.
Vernietiging komt ten slotte in aanmerking bij wilsgebreken zoals bedrog, bedreiging, misbruik van omstandigheden of dwaling. Vernietiging heeft terugwerkende kracht: de overeenkomst wordt geacht nooit te hebben bestaan. Deze remedie vereist wel een specifieke wettelijke grondslag. Bijvoorbeeld bij dwaling moet het gaan om een onjuiste veronderstelling die u niet zou hebben gecontracteerd indien u de werkelijkheid had gekend. Vernietiging slaagt in ongeveer 15% van de gevallen waarin zij wordt ingeroepen.
Wilt u zekerheid over welke remedie het beste past bij uw situatie? Gespecialiseerde advocaten in Amsterdam analyseren uw contractuele positie en adviseren over de meest effectieve juridische strategie om uw belangen te beschermen.
Wanneer moet u een ingebrekestelling versturen?
Een ingebrekestelling is verplicht voordat u schadevergoeding kunt eisen of kunt overgaan tot ontbinding, tenzij nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is. Deze formele aanmaning stelt de schuldenaar een redelijke termijn om alsnog na te komen en markeert het moment waarop verzuim intreedt.
Artikel 6:82 BW bepaalt dat verzuim intreedt wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld door een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn wordt gesteld voor nakoming. Deze ingebrekestelling heeft drie functies: zij informeert de schuldenaar over de tekortkoming, biedt een laatste kans tot nakoming, en markeert het moment vanaf wanneer schadevergoeding verschuldigd wordt. Zonder geldige ingebrekestelling blijft uw recht op schadevergoeding juridisch onvoltooid.
Een rechtsgeldige ingebrekestelling bevat minimaal vier elementen. Ten eerste omschrijft zij de tekortkoming concreet en verifieerbaar. Ten tweede vermeldt zij op welke contractuele verplichting de tekortkoming betrekking heeft. Ten derde stelt zij een redelijke termijn voor nakoming, doorgaans 14 dagen bij betalingsverplichtingen of langer bij complexe prestaties. Ten vierde aangezegd welke juridische stappen volgen bij uitblijvende nakoming. In 80% van de gevallen volstaat een termijn van 14 dagen voor betalingsverplichtingen.
Daarentegen zijn er uitzonderingen op de ingebreketellingsplicht. Wanneer nakoming blijvend onmogelijk is geworden, treedt verzuim direct in zonder ingebrekestelling. Bijvoorbeeld wanneer een fotograaf de bruiloft heeft gemist, maakt een ingebrekestelling geen zin meer. Evenzo geldt dit bij tijdelijke onmogelijkheid waarbij duidelijk is dat de schuldenaar niet zal nakomen. Bovendien kan een ingebrekestelling achterwege blijven indien uit de houding van de schuldenaar blijkt dat deze toch niet zal nakomen.
Vervolgens bestaat het onderscheid tussen ingebrekestelling en aansprakelijkstelling. Een ingebrekestelling heeft tot doel de schuldenaar alsnog te laten nakomen binnen een redelijke termijn. Een aansprakelijkstelling daarentegen heeft alleen tot doel schadevergoeding te claimen zonder mogelijkheid tot herstel. Artikel 6:82 lid 2 BW bepaalt dat aansprakelijkstelling volstaat wanneer tijdstelling zinloos is. Nederlandse rechtbanken accepteren aansprakelijkstelling in ongeveer 30% van de wanprestatiezaken.
Bovendien beschermt een correcte ingebrekestelling tegen schuldeisersverzuim. Dit verzuim ontstaat wanneer ú als schuldeiser de nakoming verhindert doordat u noodzakelijke medewerking niet verleent. Bijvoorbeeld wanneer een aannemer uw pand wil renoveren maar u weigert toegang te verlenen. Tijdens schuldeisersverzuim mag de schuldenaar geen executiemaatregelen nemen en bent u niet bevoegd tot opschorting. Tevens vervalt uw recht op schadevergoeding. In Amsterdam wordt schuldeisersverzuim ingeroepen in 20% van de contractgeschillen.
Hoe onderscheidt wanprestatie zich van overmacht?
Wanprestatie veronderstelt een toerekenbare tekortkoming waarbij de schuldenaar aansprakelijk is voor schade, terwijl overmacht een niet-toerekenbare tekortkoming betreft zonder schadevergoedingsplicht. Het onderscheid bepaalt dus of u recht heeft op compensatie voor geleden schade.
Artikel 6:75 BW definieert wanneer een tekortkoming niet toerekenbaar is: namelijk wanneer deze niet te wijten is aan schuld van de schuldenaar en evenmin krachtens wet, rechtshandeling of verkeersopvattingen voor zijn rekening komt. Deze definitie creëert de juridische grens tussen aansprakelijkheid en vrijstelling. Desondanks moet de schuldenaar bewijzen dat sprake is van overmacht, niet de schuldeiser.
Objectieve overmacht bestaat bij externe omstandigheden buiten de invloedssfeer van de schuldenaar. Denk hierbij aan natuurrampen, oorlog, terroristische aanslagen, of overheidsmaatregelen zoals lockdowns. Tijdens de COVID-19 pandemie beriepen 65% van de ondernemers zich op overmacht voor niet-nagekomen leveringsverplichtingen. Echter slaagde dit beroep slechts in 40% van de gevallen, omdat rechtbanken streng toetsen of nakoming werkelijk onmogelijk was.
Daarentegen speelt subjectieve overmacht wanneer persoonlijke omstandigheden nakoming verhinderen. Bijvoorbeeld ernstige ziekte van de schuldenaar, faillissement van een cruciale toeleverancier, of diefstal van essentiële bedrijfsmiddelen. Bij subjectieve overmacht weegt de rechter zwaarder of de schuldenaar deze omstandigheid had kunnen voorzien of voorkomen. Nederlandse rechtspraak toont aan dat subjectieve overmacht in slechts 25% van de gevallen wordt geaccepteerd.
Bovendien kunnen contractuele afspraken het begrip overmacht verruimen of beperken. Algemene voorwaarden bevatten vaak overmachtclausules die specifieke situaties als overmacht kwalificeren. Bijvoorbeeld een transportbedrijf dat stakingen, weersomstandigheden of verkeersblokkades als overmacht definieert. Echter toetst de rechter of zulke bedingen redelijk zijn volgens artikel 6:233 sub a BW. Onredelijk bezwarende exoneratiebedingen worden vernietigd, vooral in consumententransacties.
Tevens geldt dat tijdelijke onmogelijkheid niet automatisch tot overmacht leidt. Wanneer nakoming slechts tijdelijk verhinderd wordt, bijvoorbeeld door kortstondige tekorten of transportproblemen, moet de schuldenaar na opheffing van de hindernis alsnog nakomen. Alleen wanneer tijdelijke verhindering zo lang duurt dat nakoming zijn zin verliest, ontstaat definitieve overmacht. Rechtbanken in Amsterdam hanteren hierbij een termijn van 6 weken tot 3 maanden als maatstaf.
Wat is het verschil tussen inspannings- en resultaatverplichtingen?
Bij een resultaatverbintenis moet de schuldenaar een concreet resultaat bereiken, terwijl bij een inspanningsverbintenis slechts behoorlijke inspanning wordt verwacht. Dit onderscheid bepaalt wanneer sprake is van toerekenbare wanprestatie en hoe gemakkelijk u deze kunt bewijzen.
Resultaatverplichtingen vereisen dat een afgesproken eindresultaat wordt gerealiseerd. Typische voorbeelden zijn koopovereenkomsten, aannemingscontracten, en leveringsovereenkomsten. Een aannemer die een kantoorpand bouwt, moet dit pand conform specificaties opleveren. Doet hij dit niet, dan bestaat automatisch een tekortkoming zonder dat u verwijtbaarheid hoeft te bewijzen. In 90% van de commerciële overeenkomsten gaat het om resultaatverplichtingen.
Daarentegen eisen inspanningsverplichtingen slechts dat de schuldenaar zijn best doet om een bepaald doel te bereiken. Denk hierbij aan juridische dienstverlening, medische behandelingen, of architectenopdrachten. Een advocaat in Amsterdam garandeert geen proceswinst maar moet wel vakbekwaam en zorgvuldig handelen. Bij inspanningsverplichtingen moet u als schuldeiser bewijzen dat de schuldenaar niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. Deze bewijslast is aanzienlijk zwaarder.
Bovendien bestaat de zorgplicht als toetsingskader voor inspanningsverplichtingen. Professionals moeten handelen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Deze maatstaf wordt afgeleid uit artikel 7:401 BW voor de overeenkomst van opdracht. ICT-specialisten, accountants en consultants vallen onder deze norm. Nederlandse rechtspraak toont aan dat slechts 15% van de claims tegen professionals slaagt, omdat grove tekortkomingen moeten worden aangetoond.
Tevens kunnen contracten beide type verplichtingen combineren. Bijvoorbeeld een IT-implementatieproject waarbij de leverancier zowel moet leveren (resultaatverplichting) als adviseren (inspanningsverplichting). Bij zo’n gemengd contract moet per verplichting worden beoordeeld of sprake is van inspanning of resultaat. Deze beoordeling vereist uitleg volgens de Haviltex-maatstaf, waarbij bedoelingen en verwachtingen van partijen centraal staan.
Welke schade kunt u verhalen bij wanprestatie?
Bij wanprestatie kunt u verhalen: geleden verlies, gederfde winst, buitengerechtelijke incassokosten, en in uitzonderlijke gevallen immateriële schade. De totale schadevergoeding moet u herstellen in de positie waarin u zonder de wanprestatie zou hebben verkeerd.
Geleden verlies omvat alle kosten die u daadwerkelijk heeft gemaakt als direct gevolg van de tekortkoming. Bijvoorbeeld kosten voor vervangende leveringen tegen hogere prijzen, opslagkosten bij vertraagde afname, of herstelkosten bij gebrekkige levering. Een Amsterdamse detailhandelaar die noodgedwongen bij een duurdere leverancier moet inkopen wegens wanprestatie, kan dit prijsverschil verhalen. In 95% van de wanprestatiezaken wordt geleden verlies toegewezen.
Daarnaast behoort gederfde winst tot verhaalbare schade wanneer deze redelijkerwijs te verwachten was bij het sluiten van de overeenkomst. Artikel 6:98 BW beperkt gederfde winst tot schade die een redelijk gevolg is van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. Bijvoorbeeld een evenementenorganisator die een concert moet annuleren door wanprestatie van de hoofdact, kan gederfde ticketomzet verhalen. Echter slaagt deze vordering slechts in 60% van de gevallen wegens bewijsproblemen.
Bovendien kunnen buitengerechtelijke kosten worden gevorderd op basis van artikel 6:96 lid 2 BW. Deze kosten omvatten redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, en ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Advocaatkosten vóór dagvaarding vallen hieronder. Het Buitengerechtelijk Incassobesluit (BIK) normeert deze kosten, met bedragen variërend van € 250 bij vorderingen tot € 2.500, oplopend tot maximaal € 6.775 bij vorderingen boven € 200.000. Nederlandse rechtbanken wijzen BIK-kosten toe in 85% van de gevallen.
Tevens bestaat vertragingsschade als specifieke schadepost bij late nakoming. Deze schade compenseert het tijdsverlies tussen afgesproken en daadwerkelijke prestatie. Denk hierbij aan wettelijke handelsrente over te laat betaalde facturen, momenteel 10% per jaar voor handelstransacties. Bij andere verplichtingen kan vertragingsschade bestaan uit huurkosten voor tijdelijke vervanging of exploitatieverlies door vertraagde oplevering. Vertragingsschade wordt in 70% van de contractgeschillen toegewezen.
Tenslotte komt immateriële schade slechts bij uitzondering voor vergoeding in aanmerking. Artikel 6:106 BW beperkt smartengeld tot gevallen waarin de wet dit expliciet bepaalt. Bij wanprestatie ontbreekt zo’n wettelijke grondslag, behoudens exceptionele situaties waarbij de tekortkoming persoonlijkheidsrechten schendt. Bijvoorbeeld een fotograaf die bruiloftsfoto’s verliest, kan worden veroordeeld tot smartengeld wegens aantasting van de emotionele waarde. Deze vorm van schadevergoeding slaagt echter in minder dan 5% van de wanprestatiezaken.



